Tegen het einde van de 19e eeuw zou het onderwijs op de kunstnijverheidschool in Calcutta geleidelijk aan meer georiënteerd worden op Indiase kunstradities, althans zoals deze door het toenmalige schoolhoofd gedefinieerd werden. Deze overgang was echter een zeer geleidelijk proces, dat zijn oorsprong had in een aantal ontwikkelingen die op landelijk niveau plaatsvonden. In het nu volgende stuk zullen twee belangrijke oorzaken achter deze overgang besproken worden.
Ten eerste zal worden ingegaan op de manieren waarop het koloniale bestuur poogde alternatieve arbeidsmarkten te vinden voor het groeiende aantal Indiase afgestudeerden dat een baan als ambtenaar trachtte te verwerven. De groei van technisch onderwijs en industrie in India zouden in toenemende mate gezien worden als noodzakelijk voor het creëren van nieuwe arbeidsmarkten voor studenten. De activiteiten van de Bengaalse overheid, en de effecten hiervan op het onderwijs op de kunstnijverheidschool, zullen hierbij in groter detail worden behandelt.
Ten tweede zal de bezorgdheid onder invloedrijke kunstcritici en kunsthistorici in Engeland over de ontwikkeling van de 'traditionele' Indiase kunstnijverheid worden besproken. Hierbij zal voornamelijk worden ingegaan op de manieren waarop zij de Indiase overheid konden beïnvloeden, en waarop deze uiteindelijk weer invloed had op de school in Calcutta.
De groei van het hoger onderwijs: een probleem voor het koloniaal bestuur
Tegen het einde van de 19 e eeuw werd er door de Indiase departementen van onderwijs steeds vaker gewezen op de potentieel negatieve effecten van de manier waarop het koloniale onderwijsstelsel zich ontwikkelde.
Al in 1871 werd door het hoofd van het Bengaalse departement van onderwijs voor het eerst opgemerkt dat de hoeveelheid afgestudeerden die een baan als ambtenaar zochten overvloedig begon te worden: 'The education department and the law courts have long felt the principle, and the medical department is beginning to feel it. The supply of educated men in all departments is excessive, and exceeds the demand made by government'(RPIB 1871/72:18).
De toenmalige gouverneur van de Bengalen stelde in datzelfde jaar dat er in de overheidsscholen teveel nadruk werd gelegd op taal onderwijs, en te weinig aandacht was voor nuttige kennis. Het taal onderwijs moest worden teruggedrongen en het onderwijs moest waar mogelijk meer praktisch gericht worden om te bewerkstelligen dat afgestudeerden alternatieven zouden hebben voor de ambtenarij.
Het Engelstalige secundaire en hogere onderwijs, verreweg de snelst groeiende takken van het koloniale onderwijsstelsel, waren voornamelijk gericht op het klaarstomen van studenten voor het behalen van de diploma's die een toetreding tot de 'Indian Civil Service' moesten bewerkstelligen. Dit betekende echter dat de afgestudeerden met de tijdens hun opleiding vergaarde kennis ook weinig andere kanten op konden (Basu 1974: 1-2).
Later zou het politieke gevaar van deze ontwikkeling steeds meer worden ingezien. De scheve ontwikkeling van het onderwijs zou eind 19 e eeuw door de Indiase departementen van onderwijs steeds vaker worden aangestipt als de oorzaak achter de groeiende groep werkloze of slecht betaalde hoger opgeleiden in India, die een belangrijke bron van ontevredenheid en agitatie ten opzichte van de koloniale overheid begonnen te vormen [12] .
Volgens verschillende hogere ambtenaren in de Indiase departmenten van onderwijs had de onvermijdelijke 'emancipatie van de geest' die het Engelse onderwijs als bijverschijnsel dat men onder andere in de Indiase pers ook sceptischer en brutaler ten opzichte van de koloniale overheid werd [13] .
In 1882 werd in opdracht van de gouverneur generaal een grootschalig onderzoek naar de ontwikkeling van onderwijs in India uitgevoerd. De bedoeling van dit onderzoek was na te gaan in hoeverre de doelstellingen van 'Wood's Education Despatch' waren bereikt. In de rapporten van de onderzoekscommissie, werd onder andere geadviseerd dat de overheid nu geleidelijk aan moest stoppen met het oprichten en financieel steunen van instituten gericht op hoger onderwijs.
Ook werd gesteld dat er een alternatief moest komen voor de op universiteit en overheidsdienst gerichte opleidingen: 'We ... recommend that in the upper classes of all high schools there be two divisions - one leading to the entrance examination of the Universities, the other of a more practical character, intended to fit youths for Commercial or non-literary pursuits.' (Indian Education Commision report 1883 :219).
Helaas ontbrak het in de aanbevelingen van de commissie aan duidelijke richtlijnen of adviezen over hoe dit laatste in de praktijk gebracht moest worden. Hoewel de provinciale overheidsdepartementen van onderwijs de adviezen beaamden gebeurde er weinig concreets op dit gebied.
Bovendien zou het hoger onderwijs in de 20 jaar na dit onderzoek sneller groeien dan ooit tevoren. In 1882 waren er in India 63 Engelstalige universiteiten in India, in 1902 waren dit er 140. Het aantal universitaire studenten zou in dezelfde periode toenemen van 5.442 tot 17.148.Het aantal Engelstalige secundaire scholen steeg van 2.133 naar 5.097 en het aantal studenten hierin van 149.233 naar 422.187.
Deze stijging werd vooral bewerkstelligd door het groeiende aantal Indiase particulieren dat in deze tijd zonder subsidie secondaire scholen en universiteiten begon op te richten. In 1882 waren er nog maar 11 ongesubsidieerde Indiase universiteiten, met 716 studenten. In 1902 waren dit er 53 met 5.803 studenten. Het aantal ongesubsidieerde Indiase secundaire scholen verdubbelde zich, en het aantal studenten verdrievoudigde zich (Basu 1974 : 8).
Tekenonderwijs
Het enige noemenswaardige dat de Bengaalse overheid in deze periode deed om het reguliere onderwijs aan te passen was het introduceren van instructie in tekenen in het hogere en secundaire onderwijs. Tekenen was volgens het hoofd van het Bengaalse onderwijsdepartement de basis van alle industriële en ambachtelijke produktie, en de introductie van dit vak in het onderwijs moest daarom de prioriteit krijgen. Het werd eerst een verplicht vak gemaakt in de kweekscholen, en later werd het als keuzevak opgenomen in de toelatingsexamens voor de universiteiten.
Langzaam maar zeker won het vak hierdoor aan populariteit en daarmee begon ook de vraag naar tekenleraren te stijgen. Op de kunstnijverheidschool in Calcutta werd door Jobbins, het nieuwe schoolhoofd, een speciaal examen geïntroduceerd waarmee een tekeninstructie certificaat behaald kon worden (BEP 1891: sept nos. 23-45). Vanaf 1891 was er dus een nieuw toekomstperspectief voor de studenten van de school, en een langzaam groeiend aantal zou doorstromen naar een baan als tekenleraar op een secundaire school of kleine universiteit [14] .
Technisch onderwijs als oplossing
Technisch onderwijs, oftewel onderwijs gericht op technische, ambachtelijke en industriële beroepen, is in de Bengalen (en tevens ook de rest van India) tijdens de koloniale periode nooit echt volledig tot ontwikkeling gekomen, en heeft altijd maar een zeer matige invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van de Indiase industrie en handel.
Dit is enigszins bevreemdend aangezien de interesse van in ieder geval de Bengaalse overheid voor deze tak van het onderwijsstelsel vanaf ongeveer 1870 alleen maar toe lijkt te nemen. Afgestudeerden van technische opleidingen hadden in theorie immers veel meer alternatieven voor de ambtenarij dan studenten in het algemene onderwijs.
De ontwikkeling van dit soort onderwijs had in deze periode inmiddels echter een grote achterstand ten opzichte van het reguliere onderwijs. In de Bengalen waren in 1872 de 'Civil Engineering College', met 116 leerlingen, en de kunstnijverheidschool, met 76 leerlingen, de enige instituten die op industriële professies gericht onderwijs gaven. Dat terwijl er al in totaal 15.321 onderwijsinstituten waren, met 335.891 leerlingen [15] (RPIB 1872:106).
Tot 1880 zouden de overname van de kunstnijverheidschool in Calcutta, en de oprichting van de 'Civil Engineering College' eigenlijk de enige noemenswaardige initiatieven van de Bengaalse overheid op het gebied van technisch onderwijs blijven.
Ook waren er in deze periode maar weinig initiatieven op dit gebied door particulieren. Dit laatste werd in overheidsrapporten meestal geweten aan het gegeven dat de hogere klassen in de Indiase samenleving, die de oprichting van dit soort scholen zouden kunnen financieren, vanwege hun 'religieuze tradities' weinig interesse toonden voor onderwijs dat diende als een voorbereiding op 'manuele' arbeid (BEP 1878: jan nos 1-2). Op zich zou dit inderdaad ook meegespeeld kunnen hebben want de industriële sector in de Bengalen was in deze tijd ook nog zeer onderontwikkeld.
In 1890 werd tijdens de eerste 'Industrial Survey' in de Bengalen vastgesteld dat '...the native industries are scattered and unimportant. Only 8,75% of the population belong to the industrial classes ...some are in decaying condition ... few are centralised in towns ... - a fact which demonstrates clearly how simple the handicrafts and occupations of the people are, and how little they require the superior knowledge and greater capital necessary in richer countries' (BEP1891 july: no 40).
In dit ontwikkelingsstadium is het niet verwonderlijk dat technisch onderwijs de reputatie had een voorbereiding op manuele arbeid te zijn. Bovendien werden Indiërs zo goed als nooit aangenomen voor de hogere of leidinggevende posities waarvoor gespecialiseerde technische kennis nodig was. Zowel in de overheidsgeleide industrieën, als in de particuliere industrieën in de steden, die ook meestal in handen van Europeanen waren, werkten over het algemeen zeer weinig Indiërs in hogere posities, wat wellicht ook de desinteresse van de hogere klassen en hoger opgeleiden verklaart (Basu 1974:82-83).
Vanaf 1876 zou de de Bengaalse overheid een klein aantal na dat jaar door particulieren opgerichte 'industriële scholen' subsidiëren. Maar ook dit waren slechts een klein aantal kleinschalige instituten die voornamelijk instructie in timmer- en smidswerk gaven aan de armste mensen in de bevolking. Dit soort scholen werden meestal uit liefdadige overwegingen opgericht door missionarissen in de meest achtergebleven streken in India.
In 1880 trachtte het de Bengaalse departement van onderwijs het technisch onderwijs in de provincie nieuw leven in te blazen op initiatief door een nieuwe ingenieursopleiding op te richten: de 'Sibpur College of Civil Engineering'. Dit instituut zou een technische opleiding van een hoger niveau moeten gaan geven, en daarnaast ook een coördinerende functie moeten krijgen in het technisch onderwijs in de Bengalen.
De beste studenten van industriële scholen in de Bengalen zouden door kunnen stromen naar dit instituut om hun opleiding te vervolgen, de school zou machines en gereedschappen gaan leveren, en het schoolhoofd zou de industriële scholen gaan inspecteren. Maar het zou nog jaren duren voordat dit instituut enige tekenen van leven zou vertonen, vooral omdat het op een ongunstige lokatie opgericht was (BEP 1891 sept. nos 23-45).
Groeiende aandacht voor ontwikkeling van de Indiase kunstnijverheid
De activiteiten van de Bengaalse overheid op het gebied van technisch onderwijs in deze periode werden vooral gekenmerkt door een gebrek aan duidelijke doelstellingen. De voornaamste oorzaak hiervan was de ontwikkeling van dit onderwijs gekoppeld had moeten zijn aan landelijk opgestelde richtlijnen voor industriële ontwikkeling.
Ook hieraan ontbrak het in deze tijd nog volledig. Mede daarom werd in 1888 in opdracht van de gouverneur generaal de eerste landelijke 'Industrial Survey' georganiseerd. Deze had onder andere als doelstelling 'to correct the bias towards literary education' (BEP 1890: jul.-no 312).
Met deze 'Industrial Survey' wilde de gouverneur generaal bereiken dat in elke provincie alle industriële en ambachtelijke produktie in kaart gebracht werd. Hierna zou er aan de hand van de vergaarde kennis bepaald moeten worden hoe technisch onderwijs voor verbeterde produktiemethoden en industriële groei zou kunnen zorgen (BEP 1890 july: no.312).
De conclusies van de onderzoekers in de verschillende provincies waren opvallend uniform op een punt: een groot aantal takken van Indiase kunstnijverheid waren inmiddels in een staat van verval geraakt. Er waren echter wel verschillende visies wat betreft de oorzaken van dit probleem. Belangrijker is dat er ook verschillende opvattingen waren op de manieren waarop de kunstnijverheidscholen een rol konden spelen in de oplossing ervan.
In de Bengalen werd het onderzoek gedaan door een zekere E.W. Collins [16] . Deze stelde in zijn rapport dat inheemse kunstnijverheidproduktie in de Bengalen van oorsprong al schaars was, en nu bijna volledig was uitgestorven. Volgens Collins lag de oorzaak hiervan in het verdwijnen van de inheemse hofhoudingen die vroeger de belangrijkste bron van patronage voor inheemse kunstenaars gevormd hadden. Bovendien, zo stelde hij, kochten de 'moderne Rajas' en andere koopkrachtigen in de Bengalen liever Europese produkties, en het was de inheemse kunstenaars niet gelukt zich hieraan voldoende aan te passen.
Toch lag de oplossing voor dit probleem volgens Collins niet louter in een verdere verwestersing van de Indiase kunstnijverheid. In hetzelfde rapport bekritiseerde hij zelfs een aantal Indiase ambachtslieden, die poogden westerse elementen in hun produkties te introduceren:
'...native jewellery, so long as it is kept to country designs is of great merit, but there is a tendency now to imitate English designs ... and this, it is feared, may lead to a deterioration of Indian art.'; 'Braziers continue to reproduce uncouth figures of gods and godesses.
One man had seen in Calcutta a picture of an angel and had added wings to a figure of Kali. Others had copied in Bell metal English cups and saucers, and rude though they were these novelties were in demand.' (BEP1890 july: no. 40).
Volgens Collins was er in principe niets op tegen als Indiase kunstnijverheidsproducenten Europese ontwerpen gebruikten, als dit een manier was om aan opdrachten te komen. Een verdere verwestersing van de Bengaalse kunstnijverheid zou immers ook de afhankelijkheid van de import uit Europa doen afnemen, en aangezien Engels ontwerp sinds de oprichting van de kunstnijverheidscholen met sprongen vooruit was gegaan, was er werkelijk weinig op tegen wat hem betreft.
Maar een verdere introductie van Engelse ontwerpen in de Indiase kunstnijverheid kon echter niet zomaar aan de Indiase ambachtslieden worden overgelaten. Het ontbrak de moderne Indiase ambachtslieden volgens hem aan originaliteit en inzicht op het gebied van vormgeving. Het was dan ook in de begeleiding van ambachtslieden op dit gebied dat volgens hem een belangrijke taak open lag voor de kunstnijverheidscholen in India.
Ofwel de school in Calcutta, ofwel een nieuwe 'school of design' in de Bengalen, moest zich duidelijk gaan richten op het produceren van ontwerpen die direct bruikbaar waren voor de inheemse ambachtslieden van de Bengalen.
Hoewel de adviezen van Collins uiteindelijk geen enkele invloed hadden [17] , is het wel interessant op te merken dat hij in zijn bespreking van 'het verval van de Indiaas kunstnijverheid' de nadruk in eerste plaats legt op het verschil tussen (kwalitatief) goed en slecht ontwerp. Verschil in kwaliteit was voor hem nog duidelijk ondergeschikt aan het onderscheid tussen Indiaas en Europees ontwerp.
Uiteindelijk zou juist dit laatste onderscheid in de tijd waarin Collins zijn rapportages schreef steeds meer de overhand krijgen in besprekingen van de ontwikkeling van de Indiase kunstnijverheid.
In het 'Industrial Survey' rapport van Madras, waar het onderzoek gedaan werd door Ernest Binfield Havell [18] , het hoofd van de kunstnijverheidschool aldaar (1884-1893), werd veel nadrukkelijker negatief gereageerd op de invloed van het westen op de ontwikkeling van de Indiase artistieke produktie. In Havell's rapport werd het angstaanjagende beeld geschetst van een op alle fronten snel uitstervende inheemse kunstnijverheid, en hoewel Havell ook het verdwijnen van de Indiase hofhoudingen aanstipte als belangrijke oorzaak hiervan, zag hij echter veel grotere bedreigingen in de Europese concurrentie, en met name ook in de verspreiding van Europees onderwijs en ideeën.
De producenten van de alledaagse noodzakelijke kunstnijverheid artikelen (met name textiel etc.) hadden volgens Havell voornamelijk te lijden gehad van directe Europese concurrentie. Maar de produktie van meer 'luxueuze' en artistieke artikelen in traditionele Indiase stijlen was nagenoeg aan het uitsterven doordat het westerse onderwijs ertoe geleid had dat de koopkrachtigen in de Indiase samenleving neerkeken op alle inheemse kunst.
Havell was zeer bezorgd over het feit dat veel Indiase producenten noodgedwongen gebruik waren gaan maken van Europese ontwerpen, en vond het ronduit schandelijk dat de inheemse kunst, die in Engeland zo hoog in het vaandel stond, door de koloniale overheid volkomen genegeerd werd:
'It is a remarkable sign of the indifference with which it has been treated, that while South Kensington, the finest art museum in the world, has thought Indian and Oriental art worthy of the largest proportion of it's space, neither in Madras, Bombay or Calcutta has there been until quite recently, even a small collection to represent to any extent the resources of the country in its arts and industries.' (Papers relating to Technical Education in India 1904: 54).
Havell stelde dan ook dat er zo snel mogelijk in Madras een aan de kunstnijverheidschool geaffilieerd museum moest komen, met door hem zorgvuldig geselecteerde voorbeelden van Indiase produkties. Hij doelde hiermee voornamelijk op voorbeelden van Indiase kunst uit periodes waarin deze een (in zijn ogen) veel hogere standaard bereikt had dan de huidige.
Deze zouden dan kunnen dienen als voorbeelden voor de studenten in de school en ambachtslieden in het algemeen. Bovendien hoopte hij dat het prestige van de inheemse kunst onder de Indiase bevolking door de officiele aandacht zou stijgen, waardoor er weer een markt voor zou ontstaan.
De zorgen over Indiase kunstnijverheid van de Engelse kunstkenner
De ideeën die Havell naar voren brengt waren op zich niets nieuws. Het idee dat de Britse aanwezigheid in India wellicht schadelijk zou zijn voor de ontwikkeling van Indiase industriële kunst, en dat de koloniale overheid direct verantwoordelijk kon worden gesteld voor deze problematiek, had in Engeland al een lange traditie.
In Europa had de Indiase kunstnijverheid sinds de 'Great Exhibition' in 1851 altijd veel aandacht genoten in allerlei grote tentoonstellingen en musea. Ook bestonden er in Engeland een aantal verenigingen, opgericht door kunstliefhebbers die zich bezighielden met het bestuderen, tentoonstellen en handelen in Indiase kunstnijverheid (PRMSAI 1898:34).
Havell onderhield nauwe connecties met een van deze verenigingen in Engeland, de zogenaamde 'Society for the Encouragement and Preservation of Indian Art'. In 1893 ontving hij van deze vereniging bijvoorbeeld een certificaat in erkenning van zijn grote successen in het beheren van de kunstnijverheidschool in Madras.
Dit certificaat werd hem toegekend op basis van het feit dat '[he has] uniformly upheld the traditional patterns of the Indian workmen, weeding out of their designs the western influences which, from causes which might be easily stated, sometimes pervade their work' [19] .
Deze vereniging was in 1890 opgericht met als voornaamste doelstelling: ' to foster the indigenous decorative arts of India and if possible, to assist in preserving their distinctive characteristics' [20] . In een brief aan de Indiase overheid, waarin gevraagd werd om een subsidiëring van de vereniging, werd alsvolgt samengevat waar zij voor stonden: de term 'preservation' duidde vooral op de bezorgdheid van de leden over het volgende feit:
'Many of the hereditary decorative crafts of India have been pushed aside, mainly because of these productions being superseded in the estimation of many western purchasers by imitations of Oriental art work, often reproduced by mechanical means ' which inevitably destroy that charm which the instructed eye recognizes in all varieties of Indian art wares produced by the indescribable cunning transmitted through generations of Indian hereditary craftsmen' [21] .
De term 'encouragement' betekende 'the endeavour to enable persons in the western world who are desirous of securing examples of Oriental art-work to obtain really good and characteristic articles'. De vereniging zocht dus naar consumenten met een gedistingeerde smaak, om de Indiase ambachtslieden te stimuleren 'authentieke' Indiase kunst te produceren.
Deze vereniging was één van de meest prestigieuze van z'n soort in Engeland. Er stonden een aantal zeer voorname leden op de contributielijst. Zo was er bijvoorbeeld de president van de Royal Academy, Lord Leighton, die veel geld aan de vereniging contribueerde omdat hij geloofde dat 'the sincerity of expression is not only the distinctive and essential charm of a national art but is indeed the true element of life in it' [22].
De voorzitter van de vereniging was George Birdwood, een van de belangrijkste pioniers op het gebied van de academische bestudering van de Indiase kunstgeschiedenis. Zijn boek 'The Industrial Arts of India' (1880), gepubliceerd naar aanleiding van een uitvoerige bestudering van de Indiase collectie in het museum in South Kensington, was een van de eerste pogingen een volledige systematische classificatie van verschillende historische periodes en tradities in de Indiase kunst uiteen te zetten [223] .
De vereniging organiseerde in Europa tentoonstellingen van Indiase kunst, en ontplooide daarnaast ook nog enkele andere kleinschalige activiteiten gericht op het het in stand houden van de kunstnijverheidsproduktie in India die aan hun authenticiteits- maatstaven voldeed. Zo kwam de vereniging bijvoorbeeld in 1894 'in actie' toen het bekend werd dat de zijde-textiel produktie in Berhampore aan het uitsterven was.
Er werden in Parijs een aantal afnemers van de op traditionele wijze geproduceerde zijde-textiel gezocht, en in Berhampore werd de 'only surviving aged weaver' die het produktieproces nog kende opgespoord en in dienst genomen. Vervolgens werden een aantal leerlingen voor hem verzamelt en samen met hen werd getracht de produktie van de Berhampore zijde-textiel weer leven in te blazen.
Een belangrijk probleem bij dit project was echter dat de zuivere 'traditionele' produktiewijzen erg langzaam bleken te zijn, en dat het moeilijk bleek binnen afzienbare periode te voldoen aan de orders die uit Europa kwamen. Het zou uiteraard tegen de principes van de vereniging indruisen om op zoek te gaan naar technische vernieuwingen en snellere produktiemethoden.
Op het gebied van authenticiteit kon niet gecompromitteerd worden en daarom werd vooropgesteld dat 'there are customs in Oriental communities with which the west has to excercise patience. Hence the society finds that the only safe way method of dealing with imperfect correspondence between supply and demand is to gradually increase the number and localities of hereditary or closely allied groups of artisans' [24] .
Hoewel deze vereniging dus concrete activiteiten ontplooide om bepaalde Indiase ambachtslieden aan nieuwe afzetmarkten te helpen waren zij eigenlijk in eerste plaats op zoek naar manieren om te voorkomen dat de 'distinctieve kenmerken' van de Indiase kunstnijverheid verloren zouden gaan.
De ideeen en activiteiten van deze vereniging waren eerder geïnspireerd door de estethische sensibiliteiten van de kunstconnaisseurs op de contributielijst, dan door bezorgdheid over de economische nood van de Indiase ambachtslieden.
Bezorgdheid over Indiase kunstnijverheid in de officiële tentoonstellingswereld
Ook in de officiële correspondenties tussen de overheidsgecommitteerden in Engeland en India, die belast waren met de selectie van Indiase kunstartikelen voor allerlei tentoonstellingen in Europa, werd al lange tijd gespeculeerd over het verval van de Indiase kunstnijverheid. Interesssant is bijvoorbeeld dat de staatsecretaris van India (the Duke of Argyl) al in 1873, in een correspondentie over de representatie van India op de wereldtentoonstelling in Wenen, een soort oriëntalistisch kunstnijverheidsonderwijs voor India suggereerde:
'The utmost circumspection is required in order that the Indian art schools in India now founded may not prove damaging to the characteristic art of the country. Whatever perplexity there may arise in grafting European forms on Indian designs, there appears little doubt that the selection and introduction of first rate Persian or Moorish art manufactures will only correspond to what has taken place repeatedly in the course of the last eight centruries, and can only benefit India ' [25] .
In de officiële tentoonstellingswereld leek de bezorgdheid van Engelse critici ook voornamelijk gebaseerd te zijn op de teloorgang van de 'distinctieve kenmerken' van de Indiase kunstnijverheid, en dus niet op de economische nood van de Indiase ambachtsman.
Met name de Indiase voorwerpen die op Europese tentoonstellingen zo hoog geprezen werden vanwege hun artistieke waarde, werden in eerste plaats gepresenteerd als 'artistic curiosities', en niet als de handelswaren of exportartikelen van India. Keer op keer werd benadrukt dat de artikelen die door overheidsinstanties in India geselecteerd werden, niet alleen van hoge artistieke kwaliteit, maar vooral ook 'characteristically native' moesten zijn [26] .
De kunstobjecten die voor export en handelsdoeleinden bedoeld waren moesten maar door de privé firma's die zich hiermee bezig hielden zelf worden aangeprezen op de tentoonstellingen. De nadruk lag dus vooral op het tegemoetkomen van de Europese interesse en bewondering voor Indiase kunst. De bezorgdheid van de overheidsgecommiteerden in Engeland lijkt dan ook meestal meer uit gaan naar de afname van de authenticiteit van de Indiase kunstnijverheid, dan naar het werkelijke verdwijnen ervan.
Toch is het opvallend dat dit soort kritiek zo weinig invloed leek te hebben op het kunstnijverheidsonderwijs in India. De schoolhoofden van de kunstnijverheidscholen in India speelden vaak een belangrijke rol bij de selectie van Indiase produkties voor tentoonstellingen in Europa en waren zich dus ongetwijfeld bewust van dit alles.
Locke was bijvoorbeeld vanaf 1873 de permanente secretaris van het Bengaalse overheidscomité voor de selectie van Indiase goederen voor tentoonstellingen in Europa [27] . Toch blijkt hij gedurende zijn gehele ambtstermijn op de school (1864-1886) zich weinig te hebben aangetrokken van de kritiek uit Engeland.
Invloed van Engelse critici op het Indiase kunstnijverheidsonderwijs
Pas vanaf ongeveer 1874 zijn er de eerste tekenen dat de kritiek uit Engeland een concrete invloed begint te krijgen op het kunstnijverheidsonderwijs in India.
Hoewel het onderwijs op de scholen in Calcutta, Madras en Bombay in dit jaar nog altijd even anglicistisch was, lijkt bij de opening van een nieuwe kunstnijverheidschool in Lahore voor het eerst serieus aandacht besteed te worden aan de ideeën van de critici in Engeland. De gouverneur van de Punjab deed in zijn uiteenzetting van de doelstellingen van de nieuwe school de volgende krachtige uitspraken:
'The School of Art will commit a grave and indeed fatal mistake, if it attempts to engraft European upon Oriental arts. The muslins of Dacca , silverwork of Gujrat..., shawls of kashmir, carpets of Lahore ... have all a beauty of their own and the introduction of English designs and English taste will only degrade, and not improve them. The almost complete ruin of the Kashmir shawl trade has been in part due to the injudicious introduction of French patterns. The object of the school of Art must be to develop and improve native art, and not to change it or supersede it by a bastard art, which is neither English nor Indian' [28] .
In tegenstelling tot de andere kunstnijverheidscholen waren een groot aantal van de studenten die zich op deze school zouden inschrijven ook daadwerkelijk afkomstig uit ambachtelijke gemeenschappen. Dit was omdat de school in een omgeving stond waar veel Indiase ambachtslieden woonden en werkten. Bovendien was het onderwijs gratis (QRPI 1897/92: 277).
De meesten van hen zouden na hun opleiding echter toch weer doorstromen naar baantjes bij de koloniale overheid (voornamelijk als tekenleraren of tekenaars voor onder andere de spoorwegen en het 'Public works Department'), wat al aangeeft dat zij op deze school toch weer dezelfde basisvaardigheden aanleerden als studenten op de kunstnijverheidscholen in Engeland.
Toch waren er desalnietemin ook een aantal die na afloop van hun studie ook de opgedane kennis gebruikten om zelfstandig verder te gaan in een van de ambachten die zij daarvoor al beoefenden. Op de school in Lahore werd dan ook meer dan op de andere scholen aandacht besteed aan praktische instruktie in bepaalde ambachten (voornamelijk meubelmaken en 'building construction'), en er werd ook getracht zoveel mogelijk gebruik gemaakt van Indiase voorbeelden in het onderwijs (QRPEI 1992/97:277).
De reden dat deze ideeën het eerst in de Punjab het kunstnijverheidsonderwijs begonnen te beïnvloeden was waarschijnlijk dat dit gebied relatief rijk was aan inheemse artistieke industrieën, waaronder veel met een bekendheid in Europa. Het gebied werd dus met argusogen bekeken in Engeland. Dit laatste werd bijvoorbeeld duidelijk in een verhitte correspondentie die ontstond naar aanleiding van een aantal opmerkingen die George Birdwood maakte in de door hem verzorgde officiele catalogus van de Brits-Indiase sectie van de 'Paris Universal Exhibition' in 1878.
Birdwood stelde hierin de overheid van de Punjab direct verantwoordelijk voor de afname in artistieke waarde van Indiase tapijten sinds de tentoonstelling in 1851. De overheid van de Punjab gebruikte de gedetineerden in de gevangenis van Lahore om goedkopere tapijten te produceren dan die van de ambachtslieden in de omgeving. Dit was volgens hem een belangrijke nagel in de doodskist van de inheemse tapijtindustrie geweest:
'The Indian Government, instead of developing the carpet industry in a natural and normal way, allowing the number of caste weavers engaged in carpet manufactures to increase gradually with the demand for the carpets, adopted the plan of using their jails for the supply of carpets, which they could afford to sell at lower prices than the caste weavers; the result being that these latter impoverished' and that with them has perished, perhaps forever, the local tradition of their art' [29] .
De 'gevangenistapijten' waren volgens Birdwood van een deplorabele kwaliteit in vergelijking met vroegere inzendingen uit Lahore.
De gouverneur van de Punjab reageerde interessant genoeg op deze beschuldigingen door te stellen dat in de gevangenis tegenwoordig altijd de grootste zorg gedragen werd om te voorkomen dat Engelse patronen of kleurcombinaties werden gebruikt in de tapijtproduktie. Hoewel hij toegaf dat het in het verleden per ongeluk wel eens door een onervaren gevangenisdirecteur was toegestaan door Engelse firma's geleverde 'semi-oriëntale' patronen te gebruiken, was dit toen het hem ter ore was gekomen direkt gestopt.
Maatregels van de Indiase overheid
In 1883 werden door de gouverneur generaal alle schoolhoofden van de Indiase kunstnijverheidscholen in Calcutta bij elkaar gebracht. Het voornaamste doel van deze bijeenkomst was het opstellen van een plan om de handel in Indiase kunstnijverheid te stimuleren.
Een van de vragen op de agenda was 'how to check the deterioration in indigenous artistic industries' [30] . De economische nood onder de Indiase ambachtslieden werd dus gezien als een direct gevolg van een 'verloedering' van hun produkties.
Opvallend is dat de schoolhoofden en andere gegadigden op deze conferentie niet de Indiase overheid, maar de Indiase ambachtslieden, en met name ook de tussenhandelaren, als verantwoordelijken voor het verval van de inheemse artistieke produktie aanwezen. In de conclusies van de conferentie werd vooropgesteld dat het grootste gevaar voor de Indiase kunstnijverheid lag in de te gemakkelijke imitatie van Europese ontwerpen en produktiemethoden.
De Indiase ambachtslieden werden hiertoe aangezet door de tussenhandelaren die geen oog voor kwaliteit hadden en enkel uit waren op het maken van zoveel mogelijk winst in zo'n kort mogelijke tijd. Geconcludeerd werd dat als de Indiase kunstnijverheid gerestaureerd zou moeten worden, de Indiase ambachtslieden hierbij een intensieve begeleiding nodig zouden hebben van de Europese kunstexperts in India.
De oplossing van het probleem werd voornamelijk gezocht in het museumwezen. De door de overheid beheerde musea in de Indiase urbane centra hadden tot dan toe nauwelijks aandacht besteed aan Indiase kunstnijverheid.
Elke provincie moest nu ten minste één door de overheid beheerd museum worden opgericht, waarin de produkten van de ambachtlieden van de omgeving tentoongesteld moesten worden. Deze musea zouden daarna zoveel mogelijk de rol van de tussenhandelaren moeten overnemen, door het contact tussen ambachtslieden en klanten te gaan begeleiden. De directeuren van de provinciale musea moesten de potentiele afnemers die zich aandienden direct met de producenten in contact brengen.
De museumdirecteuren moesten daarbij met de hulp van de schoolhoofden een streng selectiebeleid voeren wat betreft de toelating van produkten in de musea. Kwalitatief deficiënte, en met name ook door Europese vormen beïnvloede ontwerpen zouden pertinent moeten worden geweigerd.
Daarnaast moesten deze musea goede antieke voorbeelden van Indiase kunst gaan verzamelen en tentoonstellen want 'such specimens should prove the surest guide to the native workman today' [31] . Dit was dus de manier waarop de Europese kunst experts in India een directe invloed moesten gaan uitoefenen op de produktie van de ambachtslieden.
Het bleek uiteindelijk een veel te ambitieus plan, maar hoewel er in de praktijk niets van terecht kwam, zouden er nog vele pogingen volgen om dit plan nieuw leven in te blazen (dit zal in hoofdstuk 5 beschreven worden).
Hoewel er op deze conferentie niet specifiek werd ingegaan op het beleid op de Indiase kunstnijverheidscholen, werd hier eigenlijk wel een soort basis gelegd voor een nieuw oriëntalistisch kunstnijverheidsonderwijs.
De authoriteit van de schoolhoofden om te bepalen wat authentieke Indiase kunst was, werd voor het eerst op een conferentie waar zij allen aanwezig waren officieel bevestigd. Ook werd er naar aanleiding van de conferentie een basis gelegd voor een verdere correspondentie en samenwerking op dit gebied in de vorm van een nieuw tijdschrift: ' the Journal of Indian Art '. Dit blad was onder meer bedoeld als een soort forum waarin de experts die de Indiase kunst moesten gaan restaureren informatie konden uitwisselen over hun eigen onderzoekingen en kunstcollecties.
Daarnaast werd het tijdschrift rijkelijk geïllustreerd met voorbeelden van ontwerpen en patronen die geschikt geacht werden als modellen om deze restauratie op te baseren.
Een gunstige bijkomstigheid was dat de studenten van de kunstnijverheidscholen in India deze illustraties zouden verzorgen, zo stelde tenminste de staatssecretaris van het departement van 'revenue and agriculture' (E.C. Buck) die een belangrijke rol speelde bij het starten van dit tijdschrift.Volgens hem beantwoorde dit namelijk aan de groeiende behoefte aan een 'scheme of art instruction based on carefull study of indigenous models' [32] .

