In deze periode waren de ontwikkelingen in het koloniale onderwijsbeleid voor een belangrijk deel een reactie op de opkomst van het Indiase nationalisme en de groeiende oppositie tegen het koloniale bewind.
Het opvullen van de lagere posities in het koloniale bestuur met Indiërs, en de daarmee samenhangende groei van het Engelse hoger onderwijs hadden tot gevolg dat er een nauw met het Engelse bewind verbonden nieuwe Indiase middenklasse ontstond, met een min of meer gemeenschappelijk intellectuele achtergrond.
Deze nieuwe Indiase middenklasse bestond voornamelijk uit de overheidsfunctionarissen in de lagere posities, leraren, advocaten, westers getrainde doctoren, en andere groepen die het Engelse onderwijs opzochten, zoals b.v. de 'Parsis' in Bombay, en de kleine landbezitters in de Bengalen (Spear 1990: 162-9).
Hoewel deze bevolkingsgroepen over de hele kolonie verspreid waren, en een microscopische minderheid vormde in vergelijking met de gehele Indiase bevolking, hadden zij door hun deelname in het Engelstalige onderwijs een gemeenschappelijke taal, en door het groeiende aantal drukkerijen en uitgeversbedrijven in India ook toegang tot dezelfde ideeën en discussies. Daarom was het ook deze groep die begin 20e eeuw de voorhoede zou vormen in de ontwikkeling van een overkoepelend Indiaas nationalisme en de strijd voor Indiase onafhankelijkheid.

Al in 1885 was in Bombay het Indian National Congress opgericht, maar voor de eerste Congressleden stonden loyaliteit en dankbaarheid ten opzichte van de Engelse overheersers nog hoog in het vaandel.
Rond 1900 echter zou deze inmiddels over heel India verspreide politieke organisatie, steeds nadrukkelijker in oppositie tegen de koloniale overheid staan, en fungeren als een spreekbuis voor de ontevredenheid ten opzichte van de koloniale overheersing onder de nieuwe middenklassen.
Hoewel de eensgezindheid van het opkomende nationalisme in India niet overtrokken moet worden, is het wel een feit dat de nieuwe Indiase middenklassen bepaalde gemeenschappelijke belangen te verdedigen hadden.
De toenemende invloed van racistische opvattingen en theorieën op de koloniale wetgeving eind 19e en begin 20e eeuw, zou steeds meer een bron van gemeenschappelijke ergernis vormen (Ballhatchet 1980: 6). Bijvoorbeeld de uitsluiting van Indiërs van de hogere posten in de Indian Civil Service, die in 1896 ook nog eens officieel werd geïnstitutionaliseerd, was een belangrijke reden voor ontevredenheid. Naast irritatie over de racistische implicaties van dit soort maatregelen, maakte een gro
eiende werkloosheid onder de Indiase middenklassen dit soort wetgeving steeds moeilijker te accepteren. Bovendien stond het lage loon voor het werk dat wel beschikbaar was niet in verhouding tot het geld, de tijd en inspanning die in een opleiding geïnvesteerd moesten worden.
Met name in de Bengalen waar het hoger onderwijs het wijdst verspreid was ontstond een soort 'intellectueel proletariaat', van laag betaalde en werkloze hoger opgeleiden, waaruit zowel de gematigde oppositie, als meer extremistische en terroristische verzetsbewegingen veel van hun leden rekruteerden [1] .

Lord Curzon in India
Het koloniale onderwijsbeleid zou in deze periode een van de belangrijkste twistpunten vormen in de controverse tussen overheid en nationalisten. De controverse over onderwijs begon eigenlijk pas echt tijdens het bewind van gouverneur generaal (Viceroy) Curzon (1899-1904).
Curzon maakte een duidelijke breuk met het 'laissez faire' beleid van zijn voorgangers en probeerde door middel van een aantal zeer ingrijpende maatregelen een grotere invloed van de centrale overheid op het onderwijs te bewerkstelligen. Een van zijn meest controversiële wetgevingen was bijvoorbeeld de 'Universities Act'(1904) waarmee in bedekte termen geprobeerd werd een halt toe te roepen aan de snelle groei van het Engelstalige hoger onderwijs in India. Het Engelstalige hoger onderwijs was inmiddels bijna volledig in handen van Indiase ondernemers, en de overheid kon de groei en ontwikkeling ervan nauwelijks meer beïnvloeden [2] .
Curzon zou met de 'Universities Act' onder meer de voorwaarden voor affiliatie aan de door de koloniale overheid opgezette universiteiten verscherpen, om zo een verdere groei van het aantal onder Indiaas beheer opgezette universiteiten te bemoeilijken.
Affiliatie aan de overheidsuniversiteiten was noodzakelijk voor een officiële erkenning van diploma's. Door de Indiase pers werd fel gereageerd op het beleid van Curzon, en werd vaak gesuggereerd dat de koloniale overheid doelbewust het Indiase nationalisme de kop probeerde in te drukken door het Indiase volk de toegang tot de westerse kennis te ontnemen (Basu 1974:28).
Nationalisme en industriële ontwikkeling
De werkloosheid en ontevredenheid onder de Indiase middenklassen ontaardden ook in groeiende kritiek op het beleid op het gebied van technisch onderwijs en industriële ontwikkeling. De industriële ontwikkeling van India stagneerde, mede onder invloed van het import en export beleid dat de Engelse industrie bevoordeelde. Het technisch en industrieel onderwijs was in geen van alle provincies tot noemenswaardige ontwikkeling gekomen.
Aan het begin van de eeuw waren er in totaal maar 4 technische universiteiten (Engineering Colleges) en 84 industriële scholen in heel India (QRPEI 1897-1902 Vol II: 66,72). De pogingen om de economische vooruitgang op gang te brengen, beperkten zich voornamelijk tot de constructie van irrigatiewerken en verbeteren van de infrastructuur.
Verder was eigenlijk gedurende de gehele 19e eeuw het verzamelen en verspreiden van informatie over handel en industrie in India het enige dat door de Indiase overheid gedaan was. Pas in 1917 zou er in elk van de provinciale overheden een departement ingericht worden dat toezicht moest gaan houden op de ontwikkeling van industrie en technisch onderwijs. Maar dit gebeurde toen voornamelijk omdat door het uitbreken van de 1e wereldoorlog bepaalde artikelen niet meer geïmporteerd konden worden, en dus lokaal geproduceerd moesten worden [3] .
Op de vergaderingen van het Indian National Congress en in de Indiase kranten werd al tegen het einde van de 19e eeuw steeds vaker gewezen op de noodzaak van het stimuleren van de Indiase economie, onder andere door hoger technisch onderwijs in India mogelijk te maken, en de Indiase ambachtslieden te onderwijzen en economisch te ondersteunen.
Vanaf 1905 werden door het Congress in samenwerking met een groep Indiase industriëlen ook elk jaar een industriële conferentie georganiseerd [4] . Ook waren er los van Congress allerlei initiatieven zoals bijvoorbeeld de in 1904 in Calcutta opgerichte 'Association for the Advancement of the Scientific and Industrial Education of Indians' die Indiase studenten hielp hogere technische opleidingen te volgen in Japan, de Verenigde Staten en andere Europese landen, en probeerde nieuwe afzetmarkten voor Indiase ambachtslieden te vinden [5] .
Een ander voorbeeld is de rijke Industrieel Jamshetji Tata uit Bombay, die Curzon op de dag na zijn aankomst in India een plan presenteerde voor de oprichting van een technische universiteit annex wetenschappelijk onderzoeksinstituut. Curzon toonde echter weinig enhousiasme voor het plan, omdat hij van mening was dat het nog te vroeg was voor de oprichting van zo'n instituut in India. In een correspondentie met de staatssecretaris schreef hij hierover:
'There are in India neither the students for the work nor the places for them when they have completed their studies and I shall not myself be at all surprised ' if in another ten or fifteen years time the costly experiment will turn out to have been a dismal failure' [6] .
In een aantal Indiase dagbladen werd Curzon naar aanleiding hiervan beschuldigd van bewuste sabotage van de groei van hoger onderwijs en intolerantie ten opzichte van inheems initiatief (Basu 1974:82).
Een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van het Indiase nationalisme waren de protesten die volgde op de opsplitsing van de Bengaalse bestuurlijke provincie in twee nieuwe bestuurlijk provincies - 'West Bengal' en 'Eastern Bengal & Assam' in 1905.
De Indiase oppositie tegen deze maatregel werd onder andere gevoed door het idee dat Curzon probeerde de politiek actieve hindoeïstische bevolking van de Bengalen te verdelen, en dat hij de moslim meerderheid in 'Eastern Bengal' wilde bevoordelen op het gebied van onderwijs en bij toelating tot overheidsdienst, om zo deze voor het koloniale regime te winnen.
De oppositie tegen deze opsplitsing zou uitgroeien tot een massale protestbeweging waardoor voor het eerst bleek dat de leiders van de nationalistische beweging in bepaalde gevallen ook een grote aanhang konden mobiliseren (Spear 1990:176). Een van de manieren waarop dit bleek was het plotselinge succes van de zogenaamde 'swadeshi' (nationale) beweging. Deze was al enige jaren daarvoor opgericht met de bedoeling de verkoop van Indiase goederen te stimuleren, door winkels op te zetten die alleen in India geproduceerde artikelen verkochten. De beweging ondervond na de opsplitsing van de Bengalen een enorme opleving die uitmondde in een massale boycot van Engelse goederen, en het opzetten van vele nieuwe swadeshi winkels en kleine fabrieken [7] .
Het merendeel van de vrijwilligers die meewerkten aan het opzetten van dit soort winkels bleken weer studenten en werkloze hoger opgeleiden te zijn [8].

