In deze studie zal de aandacht voornamelijk uitgaan naar hoe westerse en oosterse cultuur gecontrasteerd werden door de mensen die een duidelijk aantoonbare invloed hadden op de ontwikkeling van het koloniaal kunstnijverheidsonderwijs in Brits Indië [5].
Er zal ten eerste gekeken worden in hoeverre bepaalde ontwikkelingen vanuit politieke en economische motivaties te verklaren zijn. Daarnaast zal worden beschreven hoe gekoloniseerde en kolonisator als twee afzonderlijke groepen verbeeld werden door de mensen die dit onderwijs vormgaven, ten einde iets te kunnen zeggen over de relatie tussen de vorming van etnische identiteiten, de politiek-economische verhoudingen in Brits Indië, en de invloed van beide op de ontwikkeling van koloniaal kunstnijverheidsonderwijs.

Edward Said
De beeldvorming van gekoloniseerde samenlevingen tijdens het koloniale tijdperk is een onderwerp dat onder andere naar aanleiding van het boek 'Orientalism' (1978) van Edward Said in allerlei vakgebieden steeds meer aandacht krijgt [6] . Said schrijft in dit boek over de relatie tussen kennis , in de vorm van de westerse academische bestudering van oosterse culturen (dit noemt hij oriëntalisme [7] ), en macht , in de vorm van het Europese imperialisme van de afgelopen eeuwen.
Zijn uitgangspunt is dat de enorme verscheidenheid aan samenlevingen in Azië en het Midden-Oosten door de westerse academische wereld werden omgezet tot één kenniscategorie - 'het Oosten'-, om vervolgens te worden 'toegeëigend'. Westerse geleerden verschaften zichzelf autoriteit over 'het Oosten' door het om te zetten tot een systematisch en op zichzelf staand 'discourse', en voor Said is deze academische toeëigening van 'de Oost' een soort tekstuele equivalent van de westerse militaire en politieke machtsuitbreiding in Azië en het Midden-Oosten. Dit laatste argument onderbouwt hij door te wijzen op de nauwe verstrengeling van wetenschappelijk onderzoek en koloniaal bestuur in de periode die hij behandelt.
Said maakt in zijn analyse met opzet geen duidelijk onderscheid tussen de academische bestudering en het koloniale bestuur van het Oosten, aangezien hij enkel wil wijzen op continuïteiten tussen de twee, zoals bijvoorbeeld geïllustreerd door middel van een citaat uit een toespraak van Lord Curzon: 'In my view the creation of a school [of Oriental Studies] later to become the London School of Oriental and African Studies] like this in London is part of the neccesary furniture of Empire'(1978:214).
Said beargumenteert kortom dat 'het Oosten' door de oriëntalisten werd omgezet tot een coherente structuur van mythen, die functioneel waren bij het bewerkstelligen en legitimeren van de dominantie van West over Oost. Hij geeft ook aan dat parallel aan de constructie van mythen over het Oosten een proces van Europese zelfdefinitie loopt. Oost en West worden in de oriëntalistische literatuur gedefinieerd door ze te contrasteren; de constructies van het Oosten als inferieure tegenpool van het westen waren essentieel voor het definiëren van de Europese identiteit (1978 :3).
De antropoloog Ronald Inden (1990) gaat in een vergelijkbare analyse specifiek in op de relatie tussen de 19 e / 20 e eeuwse indologie en de kolonisatie van India. Hij beargumenteert dat indologen India beschreven en verklaarden aan de hand van 'essentialisme'. Dit begrip definieert hij alsvolgt: 'the idea that humans and human institutions, for example the 'individual' and the 'nation-state' are governed by determinate natures that inhere in them in the same way that they are supposed to inhere in the entities of the natural world' (1990:2).
De capaciteit van de Indiase mens om zijn eigen wereld actief te beïnvloeden werd hem door de indoloog ontnomen, en de geschiedenis van India werd verklaard vanuit de activiteit van bepaalde voor de westerse wetenschapper kenbare, en door de koloniale bestuurder manipuleerbare essenties, zoals kaste, het goddelijk despotisme, de dromerige en irrationele Indiase volksaard, etc.
Ook Inden wijst er op dat de indologische bestudering van India een vorm van Europese zelfdefinitie inhield: 'European discourses appear to separate their Self from the Indian Other - the essence of Western thought is practical reason, that of India a dreamy imagination, or the essence of Western society is the free ... individual, that of India an imprisoning... caste system' (1990: 3).
Said en Inden beargumenteren dus beiden dat beeldvorming van kolonisator en gekoloniseerde de ongelijke machtsverhoudingen tussen beide zowel weerspiegelt als bewerkstelligt [8] .
Beeldvorming als instrument van overheersing: het imperialisme volgens Said.
De onderwerpen die Said en Inden bespreken zijn nauw verwant aan de onderwerpen die in antropologische studies naar etniciteit besproken worden. Alvorens verder in te gaan op het onderwerp van deze studie, zullen eerst kort Said's bevindingen vergeleken worden met een aantal theorethische uitgangspunten die in antropologische discussies over etniciteit zijn ontwikkeld.
De antropoloog Eriksen (1993:12) definieert de term 'etniciteit' als volgt: 'Ethnicity is an aspect of the social relationship between agents who consider themselves as culturally distinctive from members of other groups with whom they have [at least] a minimum of regular interaction. It can thus also be defined as a social identity (based on a contrast vis à vis others) characterised by a metaphoric or fictive kinship.'
Etnische identiteit, volgens Eriksen's definitie, is dus een groepsgevoel gebaseerd op noties van gedeelde culturele eigenschappen, en fictieve vormen van bloedverwantschap. De door Said besproken groepsidentiteiten (Europeaan, westerling, oosterling etc.) kunnen dus ook als etnische identiteiten worden geclassificeerd.
Groepsgevoelens, van welke aard dan ook, bestaan niet in isolatie, maar altijd ten opzichte van een groep 'anderen'. In de meeste antropologische studies wordt het bestaan van etniciteit dan ook niet in de eerste plaats verklaard vanuit 'objectief waarneembare' culturele of biologische eigenschappen van etnische groepen. Het wordt belangrijker geacht om te kijken naar de manieren waarop groepsgevoelens, sociaal, politiek en economisch significant gemaakt worden in de interacties met andere groepen (Eriksen 1993:46). Dit is ook waar Said zich mee bezig houdt: hij beargumenteert dat de oriëntalistische verbeelding van de 'Oosterling' als een soort inferieure 'ander' van de Europeaan essentieel was voor het bewerkstelligen van de politieke dominantie over het Oosten.
Sommige antropologen gaan ervan uit dat het bestaan van etnische identiteiten volledig verklaard kan worden vanuit de competitie om politieke of economische voordelen tussen groepen. Abner Cohen (1974:96) stelt bijvoorbeeld: 'Ethnicity is fundamentally a political phenomenon, as the symbols of the traditional culture are used as mechanisms for the articulation of political alignments'. Etnische ideologie, oftewel de retoriek waarmee groepen zichzelf en 'anderen' onderscheiden, wordt dan voornamelijk bekeken als een instrument in de onderlinge machtsstrijd tussen groepen.
De manier waarop de cultuur, tradities, oftewel het verleden van een bepaalde groep worden voorgesteld, moet dan dus verklaard worden vanuit de competitie met andere groepen in de contemporaine politiek-economische context. Men bekijkt de verbeelding van verleden (de tradities) van de groep dus als een produkt van het heden, oftewel, men bestudeert : '...the ways in which the present has shaped the past' (Eriksen 1993:95).
Deze benadering is vooral nuttig in dat het de 'veranderlijke' aard van etniciteit benadrukt. Etnische identiteiten zijn geen statische, eeuwige of natuurgegeven categoriseringen van mensen, maar worden afhankelijk van politiek-economische verhoudingen tussen groepen continu op verschillende manieren geïnterpreteerd en toegepast.
Said lijkt in zijn werk ditzelfde principe te willen benadrukken: hij schrijft immers over de relatie tussen het oriëntalistische discourse en de machtsverhoudingen tussen kolonisator en gekoloniseerde. Maar in de gehele historische periode die hij behandelt, worden de politieke verhoudingen tussen beide groepen gereduceerd tot een statisch gegeven: de dominantie van west over oost. De imperialistische machtsverhoudingen worden door Said gereduceerd tot 'unchallenged western dominance' (Said 1978:73) en 'unstoppable European expansion' (Said 1978:95).
Said maakt met opzet geen duidelijk onderscheid tussen de academische bestudering en de politieke overheersing van het Oosten. Hij beperkt zich echter tot een analyse van het door hem geidentificeerde 'discourse', en houdt zich daarbij nauwelijks bezig met de politiek-economische contexten waarin de door hem behandelde teksten geschreven zijn. Hij gaat dus nergens gedetailleerd in op feitelijke ontwikkelingen, periodes of incidenten in specifieke gekoloniseerde gebieden. Er worden anderzijds ook nauwelijks voorbeelden gegeven van momenten waarop de door hem behandelde teksten duidelijk van invloed zijn op de besluitvormingen van koloniale bestuurders.
De historicus John M. MacKenzie, stelt daarom dat Said in 'Orientalism'(1978) een 'a-historische' vorm van geschiedschrijving bedrijft: ''a historicism which is in itself essentially ahistorical, an unwillingnes to grapple with political economy, with class, and the contrasting economic and social circumstances of different territories; and difficulties in connecting representation to agency, establishing the precise connections between scholarly Orientalism and imperial instrumentality.' (1995:11).
Volgens MacKenzie zijn de analytische methodes van Said in strijd met een aantal van de 'fundamentele principes' van de geschiedschrijving :
'The Historian is necessarily concerned with explaining change over time, with the interrelationships of ideas and events, with the social, economic and intellectual milieu in which sources are produced . The Historian seeks to tie analysis to a firm empirical base, to specific episodes, particular territories, definable socio-economic contexts in the historical record ' too much of [Said's] work seems to circle around an intellectual superstructure wrenched from its empirical base' (MacKenzie 1995:37-38).
De empirische basis van het oriëntalistische discourse, oftewel, de machtsverhoudingen tussen kolonisator en gekoloniseerde worden door Said behandeld als een abstract gegeven, waar weinig wezenlijks aan lijkt te veranderen. Said beargumenteert dat het oriëntalistische discourse zowel een weerspiegeling als een instrument van koloniale overheersing is, maar laat het vervolgens na de connecties tussen teksten en historische contexten concreet te beschrijven.
Beeldvorming als 'discourse' volgens Said
Omdat Said politiek-economische verhoudingen tussen kolonisator en gekoloniseerde reduceert tot een abstract gegeven, blijft ook het oriëntalistische 'discourse' dat hij beschrijft in essentie 'a-historisch'. De imperialistische machtsverhoudingen worden door hem gereduceerd tot een absolute dominantie van West over Oost, en westerse representaties van oosterse culturen worden gereduceerd tot een in hoge mate ongedifferentieerde expressie van superioriteitsgevoelens en machtswellust.
In veel van de kritiek die op Said's werk verschenen is, wordt erop gewezen dat zijn voorstelling van het oriëntalistische discourse een te ongedifferentieerd beeld geeft van de manier waarop er in Europa over het Oosten werd gedacht. Hoewel in 'Orientalism'(1978) een zeer grote en gevarieerde hoeveelheid bronnen besproken wordt, benadrukt Said hoofdzakelijk de unificerende factoren hierin. Hij besteedt daarom volgens veel van zijn critici onvoldoende aandacht aan diversiteit en tegenstellingen tussen de door hem behandelde auteurs, periodes en ideeën.
Eenheid en continuïteit binnen het oriëntalistisch discourse ontstaan volgens Said doordat de oriëntalistische auteurs voortdurend aan elkaar referen en voortbouwen op elkaars werk: 'Orientalism is after all a system for citing works and authors'(1978:23).
De belangrijkste unificerende factor in het oriëntalistisch discourse is volgens Said de voordurende expressie van westerse autoriteit over het Oosten. Hij probeert aan te tonen dat het Oosten vanaf de verlichting tot op heden voortdurend werd voorgesteld als een negatieve, of in ieder geval zwakkere tegenpool van het Westen.
Ook voor Inden (1990) is deze continuïteit een belangrijk kenmerk van het indologische discourse. Het indologisch discourse dat hij beschrijft is grotendeels een produkt van 'hegemonische' teksten zoals Hegel's 'the Philosophy of History ' en James Mill's 'History of India'. Bijvoorbeeld het idee dat het kastesysteem gezien kan worden als een soort allesverklarende essentie van de Indiase samenleving is volgens Inden oorspronkelijk afgeleid uit dit soort hegemonische teksten.
Inden gaat wel meer dan Said in op het feit verschillende generaties academici deze essenties op verschillende manieren beschrijven en waarderen, maar concludeert daarbij wel het volgende: 'they have for the most part considered them as somehow inferior, at least in the sense of explaining why India 'lost out' to the West.' (Inden 1990: 11).
Veel van Said's critici wijzen juist op de diversiteit aan representaties en waarderingen van het Oosten die bestonden in de historische periode die hij beschrijft. MacKenzie (1995), benadrukt dat Europese representaties van oosterse cultuur vaak juist bedoeld waren als kritiek op de westerse cultuur. In een zeer omvangrijke studie beschrijft hij onder andere hoe allerlei progressieve stromingen in de Europese schone kunst, architectuur, industriële vormgeving, muziek en het theater, elementen uit oosterse kunstvormen overnamen en gebruikten om in opstand te komen tegen de gangbare westerse conventies in hun tijd. Ook speelden allerlei idyllische voorstellingen van het oosten met name een belangrijke rol in de kritiek op de industrialisatie van de westerse samenleving.
MacKenzie probeert voornamelijk te wijzen op de enorme verscheidenheid aan ideeën over het oosten tijdens het koloniale tijdperk, en volgens hem is het dan ook misleidend deze allemaal terug te leiden naar het soort duidelijke opposities tussen een superieure Europese 'zelf' en inferieure oosterse 'anderen' dat Said beschrijft.

James Mill
Javed Majeed (1992) bekritiseert in zijn werk zowel Said als Inden. Hij schrijft over de relaties tussen de ontwikkeling van het utilitarianisme als ideologie, en de Britse kolonisatie van India.
In tegenstelling tot Inden ziet hij de werken van de vroege ideologen van het utilitarianisme (Jeremy Bentham, James Mill en J.S. Mill) niet zo zeer als hegemonische teksten, of een voortzetting van een al bestaande intellectuele traditie, maar juist als de grondslag voor een radicale breuk met de in hun tijd dominante opvattingen over het imperialisme. James Mill's 'History of India' moet volgens Majeed gelezen worden als een kritiek op de conservatieve opvattingen van de Britse gevestigde orde, eind 18e, begin 19e eeuw, en dus niet in de eerste plaats als een veroordeling van oosterse cultuur. Majeed benadrukt in zijn werk dus vooral discussie en strijd tussen de verschillende Britse auteurs en ideologische stromingen die zich interesseerden in het koloniale bestuur van India:
'In the late eighteenth, early nineteenth centuries British rule in India was hardly imbued with a singular idiom or purpose' If there was a dominant concern of British rule in this period it was to appropriate and legitimate itself through indigenous idioms. This does not seem to fit in Said's rather monolithic conception of the irresistibility of imperial power...' (Majeed 1992:197).
Said neigt dus volgens Majeed zowel aan het oriëntalistisch 'discourse' als aan het kolonialisme een eensgezindheid en continuïteit toe te kennen die in werkelijkheid niet bestonden.
In Said's beschrijving wordt de westerse beeldvorming van 'de Oost' volledig gereduceerd tot een koloniaal machtsinstrument. Het oriëntalistische 'discourse' is voor Said : 'the systematic discipline by which European culture was able to manage, and even produce the Orient politically, sociologically, militarily, scientifically and imaginatively during the post-Enlightenment period'( Said 1978:3). Hij gaat er dus van uit dat westerse representaties van het oosten en de koloniale praktijk volledig door elkaar gedetermineerd werden.
De antropoloog Peter van der Veer bekritiseert Said omdat hij het oriëntalisme een haast ongelimiteerde macht toekent om de gekoloniseerde samenleving vorm te geven : 'I do not agree with Said's notion that colonialism and orientalism created the reality in which Indians had to live. This notion is in itself an orientalist fallacy that' simplifies the intricate interplay of Western and Indian discourses' both Hindu and Muslim reform continue discourses that have a precolonial tradition. What can be demonstrated is that orientalism transformed them and has placed them in a new political context.' (van der Veer1994:21).
Vd Veer beargumenteert dat er in studies naar de kolonisatie van India meestal te veel aandacht uitgaat naar de oriëntalistische en koloniale constructie van kaste en religieuze communes, en dat er te weinig wordt gekeken naar de prekoloniale basis van dit soort categoriën (van der Veer 1994:20).
In zijn eigen studie probeert van der Veer aan te tonen dat dit soort categoriën welliswaar nieuwe betekenissen kregen tijdens de kolonisatie van India, maar dat hierbij werd voortgebouwd op processen die al aan de gang waren voor de komst van de Britse kolonisator. Bovendien moeten de processen van transformatie die zich afspeelden, gezien worden als een resultaat van complexe interacties tussen Brits bestuur en verschillende groepen in de gekoloniseerde samenleving, en dus niet als het gevolg van een van hogerhand opgelegd Europees discourse.
Uit van der Veers kritiek op Said wordt ook weer duidelijk dat het misleidend is de verbeelding van Indiase cultuur en samenleving tijdens Britse kolonisatie af te schilderen als een enkel 'monolitisch' discourse. Van der Veer pleit ervoor de verbeelding van Indiase cultuur in koloniaal (en later postkoloniaal) India te behandelen als een doorlopend historisch proces, waarbij allerlei verschillende groepen met verschillende visies op Indiase cultuur en samenleving tegenover elkaar komen te staan (van der Veer 1994:196).
Het idee dat van der Veer hier aandraagt, werd al eerder toegepast door de antropoloog/historicus Bernard S. Cohn in een artikel uit 1968. Cohn benadrukt hierin vooral ontwikkeling en diversiteit in de manieren waarop de Indiase samenleving door Europeanen bezien werd. Zo onderscheid hij 3 categoriën Europese onderzoekers die zich aan het begin van de 19e eeuw bezighielden met het systematisch vergaren van kennis over Indiase samenleving: de oriëntalisten, de missionarissen en de koloniale ambtenaren.
Cohn probeert de verschillende visies op Indiase cultuur van auteurs uit deze categoriën vooral te verklaren vanuit verschillen in doelstellingen, maatschappelijke achtergronden en methodes van dataverzameling. Het feit dat missionarissen en oriëntalisten vaak lijnrecht tegenover elkaar stonden in hun waardering van Indiase cultuurverschijnselen verklaart hij bijvoorbeeld vanuit hun respectievelijke achtergronden.
De oriëntalistische geleerden waren over het algemeen beter opgeleid, en afkomstig uit een hogere maatschappelijke klasse dan de missionarissen, en neigden de klassieke werken in het Sanskrit en Perzisch met hetzelfde respect te benaderen als de Europese literatuur.
Hun standpunten op het gebied van koloniaal bestuur waren meestal te kenmerken als conservatief. De missionarissen daarentegen konden vanwege hun religieuze overtuigingen weinig respect opbrengen voor de Sanskrit en Perzische klassieken. Bovendien waren zij over het algemeen uit lagere maatschappelijke klassen afkomstig dan de oriëntalistische geleerden. Zij waren daarom zowel in eigen maatschappij als in India uit op sociale hervormingen (Cohn 1987:148) [9] .
Omdat Said het oriëntalistische discourse reduceert tot een weerspiegeling en verlengstuk van het imperialisme, lijkt een historische bestudering van het 'culturele materiaal' dat gebruikt wordt om het oosten te verbeelden in zijn studie overbodig. De culturele kenmerken die door auteurs worden aangegrepen om zelf en ander te contrasteren lijken min of meer willekeurig gekozen of gefantaseerd te zijn.
Betekenissen die door de oriëntalisten aan bepaalde oosterse tradities of culturele kenmerken gehecht worden, die niet relevant lijken voor de koloniale machtsverhoudingen, blijven dan buiten beschouwing. Daarmee wordt niet ingegaan op het feit dat culturele kenmerken, tradities en etnische identiteiten vaak een geschiedenis hadden die ook vormend was voor de betekenissen die er in de koloniale context aan gehecht werden.
Hoewel het belangrijk is reconstructies van verleden en traditie te relateren aan de contemporaine interacties tussen groepen moet niet uit het oog verloren worden dat 'the cultural material used for invention and imagination is historically produced and thus has to be understood historically' (Van der Veer 1994:196).
Interpretaties van verleden en traditie van etnische groepen hoeven dan ook niet alleen bekeken te worden als een manier om ongelijke machtsverhoudingen te bewerkstelligen, maar kunnen ook als gemeende expressies van een interesse in het verleden worden opgevat.

