Op zich was het niet verwonderlijk dat de Compagnie zich in deze tijd nog weinig bemoeide met onderwijs. Het idee dat onderwijs een verantwoordelijkheid van de staat is, werd in Engeland pas laat geaccepteerd in vergelijking met de meeste andere Europese landen.
Het Britse parlement stelde pas in 1832 voor het eerst geld beschikbaar voor volksonderwijs (popular education) in Engeland [10] .
Met name de Britse liberalen waren over het algemeen wantrouwig ten opzichte van staatsinmenging in zaken van onderwijs. De geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht [11] , en een groeiende concurrentie van het Europese vasteland op het gebied van industrie en handel gaven echter voor veel van hen uiteindelijk de doorslag.
Volksonderwijs werd noodzakelijk geacht om de lagere sociale klassen in de Engelse samenleving tot een hoger verstandelijk niveau te verheffen, voordat ze voor volledige politieke rechten in aanmerking zouden komen.
De Britse liberalen zagen in dat na eeuwen van onderdrukking de mens niet van de ene op de andere dag het verlichte en rationeel denkende wezen zou zijn dat zij zich voorstelden. Bovendien was een gedisciplineerde en intelligente arbeidersklasse ook noodzakelijk voor een verdere groei van de Britse industrie en handel. Welliswaar onderscheidden de liberalen het 'eigenlijke volk' (the people, the public) van de 'massa' (the populace, the masses), toch streefden zij in theorie de verheffing van het hele volk na (Caljé/ Den Hollander 1992:58).
De Britse overheid introduceerde rond 1830 het zogenaamde 'Grants in Aid' systeem. Dit hield in dat de oprichting en het onderhoud van scholen voortaan van overheidswege gesubsidieërd zou worden. Maar het daadwerkelijk oprichten en beheren van scholen werd nog altijd voornamelijk aan particulieren overgelaten.
Niettemin groeide het het aantal scholen in Engeland hierna gestaag, omdat het idee dat de lagere sociale klassen verheven moesten worden een breed maatschappelijk draagvlak had in het 19e eeuwse Engeland. Er werden een groot aantal door verlichtingsideologie of evangelie geïnspireerde verenigingen opgericht, speciaal met het doel de arbeiders en armeren van onderwijs en morele opvoeding te voorzien [12] .
Een van de eerste ingrepen die de Britse overheid deed op het gebied van volksonderwijs was gericht op de verbetering van de Engelse kunstnijverheid.
De industriële revolutie had zijn oorsprong in Engeland, dat daarom ook het eerste land was waar de vele negatieve bijverschijnselen ervan merkbaar werden. Één daarvan was dat door de bloei van de gemechaniseerde massaproduktie veel van de kleinschalige kunstnijverheid werd kapot geconcurreerd (denk b.v. aan kleermakers, smederijen, pottenbakkers).
Volgens veel Britse kunstcritici was de Engelse kunstnijverheidproduktie met de groei van de moderne industrie in een periode van 'esthetisch verval' terecht gekomen. Zij zagen in de rijkdom aan vormen en materialen van de moderne industriële produkties een neergang in esthetische normen. Dit 'esthetische verval' werd door het Britse parlement aanvaard als een belangrijke oorzaak van de groeiende concurrentie die de Engelse kunstnijverheid industrieën ondervonden van het Europese vasteland (Frayling 1987: 13; MacDonald 1970:60,67).
In 1835 werd daarom een parlementair onderzoekscomité aangesteld: 'to inquire into the best means of extending a knowledge of the arts and of the principles of design among the people (especially the manufacturing population) of the country' [13] .
Het onderzoekscomité wees o.a. op het bestaan van overheidsgesubsidieerde kunstnijverheidscholen in de concurrerende Europese landen, waar ambachtslieden en industrieel ontwerpers gratis onderwijs konden volgen [14].
Naar aanleiding van de adviezen van het comité werd in 1837 de eerste Engelse kunstnijverheidschool opgericht, de 'Government School of Design'. Later zouden ook geaffilieerde scholen in de provincies opgericht worden. De belangrijkste doelstelling van deze school was Engelse ambachtslieden en industrieel ontwerpers van een gedegen opleiding te voorzien, teneinde de Britse kunstnijverheid-produkties kwalitatief te verbeteren. Over het soort instructie dat op de Britse kunstnijverheidscholen moest worden gegeven zou echter nog veel onenigheid ontstaan.
De Britse kunstnijverheidscholen moeten worden onderscheiden van de al veel langer bestaande kunstacademies. De kunstacademies waren in eerste plaats gericht op het opleiden van 'academische kunstenaars' (voornamelijk schilders, beeldhouwers en architecten) die op een hoger niveau werkzaam geacht werden te zijn dan de ambachtslieden. De notie dat de academische kunstenaar op een hoger niveau actief is dan de ambachtsman dateert al uit de vroege renaissance, en kwam in de eerste plaats voort uit het idee dat zijn bezigheden niet als manuele maar als intellectuele arbeid gezien moesten worden [15].
In de 19e eeuwse Europese academies uitte dit zich in het feit dat de academische kunsten volgens strakke regels en wetten bedreven werden, die waren afgeleid uit de klassieke werken van de oude Grieken en de grote meesters van de renaissance.
De kunstenaar moest zich deze regels eigen maken door het bestuderen van allerlei theoretische verhandelingen, en het eindeloos kopiëren van de oude meesterwerken uit de academische traditie.
Hoewel de Britse kunstnijverheidscholen net als de al langer bestaande continentale, oorspronkelijk werden opgericht om ambachtslieden instructie te geven in een aantal elementaire technische principes en wetten die waren afgeleid uit de academische kunst, werd dit slechts gedaan met het oog op een kwalitatieve verbetering van de kunstnijverheid, en dus niet om hen tot academische kunstenaars om te scholen [16].
Het oorspronkelijke idee achter de oprichting van de kunstnijverheidscholen was om een soort brug te slaan tussen de academische kunst en de kunstnijverheid teneinde het esthetisch karakter van de laatste te verbeteren.

