Een tweede belangrijke impuls voor de ontwikkeling van het Engelse kunstnijverheidsonderwijs kwam met de eerste grote wereldtentoonstelling die in 1851 te London werd gehouden (the Great Exhibition). Op deze tentoonstelling werden voor het eerst alle landen ter wereld uitgenodigd hun beste produkties op het gebied van kunst en industrie ter vergelijking bij elkaar te brengen. In navolging van de ?Great Exhibition' in 1851 zouden in de tweede helft van 19e eeuw door overheden overal ter wereld van dit soort internationale tentoonstellingen worden georganiseerd.

Het grote enthousiasme van het publiek op de wereldtentoonstelling van 1851, stond in schril contrast met de kritische geluiden die klonken uit de Britse kunst en kunst onderwijs-wereld. De wereldtentoonstelling van 1851 bracht in de ogen van een aantal invloedrijke kunstcritici de esthetische verloedering van de Engelse kunstnijverheid nog eens goed aan het licht. Naar aanleiding van dit evenement werd er binnen het Britse ministerie van handel een apart departement opgericht dat zich moest gaan bezig houden met de groei en verbetering van het kunstnijverheidsonderwijs in Engeland (the Department of Science & Art). Het hoofd van dit departement was Sir Henry Cole, die naar aanleiding van zijn successen in de organisatie van de wereldtentoonstelling toestemminging had gekregen het Britse kunstnijverheidsonderwijs naar eigen inzichten te hervormen [17] . Dankzij de inspanningen van Cole zou het aantal provinciale ?schools of design' in Engeland snel toenemen. Ook werd het onderwijs gesystematiseerd en gestandaardiseerd, en werd getracht het duidelijker te oriënteren op de specifieke eisen van de industrie en kunstnijverheid (Frayling 1987:42).
Naar aanleiding van de wereldtentoonstelling ontstond in Engeland ook een vernieuwde aandacht voor tentoonstellingen en musea als medium om niet alleen de kunstnijverheid producent maar vooral ook de consument van zijn produkties te onderwijzen. Daarbij werden nu ook de lagere sociale klassen als een belangrijke groep erkend [18] . Naast het verbeteren en systematiseren van het onderwijs op de kunstnijverheidscholen, spande Cole zich in voor het bewerkstelligen van ?instruction in art for all classes? [19] . Het doel dat Cole voor ogen had, was de smaakopvoeding van een zo groot mogelijk deel van het Britse volk. Hij stichtte in 1852 te South Kensington, London, het ?Museum of Ornamental Manufactures' waarin een aantal van de ?goede' voorbeelden van kunstnijverheid-artikelen uit de wereldtentoonstelling permanent tentoongesteld werden [20] . Ook werd een ?Chamber of Horrors' ingericht waarin ?Examples of False Principles in Decoration' tentoongesteld werden, met onder elk voorwerp een kaartje dat aangaf wat voor fatale fouten de maker begaan had (MacDonald 1970:179). Tijdens Cole's leiderschap van het ?Department of Science & Art' (van 1852 tot 1873) werden ook in veel andere lokaliteiten in Engeland kleinere kunstnijverheidsmusea gesticht. Cole begeleidde en stimuleerde het oprichten van kunstnijverheidsmusea door overal in het land tentoonstellingen te laten organiseren, en door de Londonse collecties aan kleinere musea uit te lenen. De Britse consument moest volgens hem ook worden opgevoed, omdat dat de enige manier was de producent te motiveren de kwaliteit van zijn produkties te verbeteren, of in Cole's eigen woorden: ?If you leave the public ignorant, the educated artizan will not be employed?.
De 19 e eeuwse ontwikkelingen in het volksonderwijs, kunstnijverheidsonderwijs en het tentoonstellings- en museumwezen hadden met elkaar gemeen dat zij voortkwamen uit de gedachte dat de rijkeren en verstandelijk hoger ontwikkelden in de samenleving de plicht hadden achtergebleven groepen tot een hoger verstandelijk niveau te verheffen, teneinde de economische welvaart en mentale ontwikkeling van de hele Engelse natie te bevorderen.
Wood's Education Despatch: een nieuw koloniaal onderwijsbeleid in Brits Indië.
Het idee dat met name de lagere sociale klassen onderwijs nodig hadden, zou in het midden van de 19e eeuw ook van invloed zijn op het koloniale onderwijsbeleid. Op basis van de conclusies van een uitgebreid parlementair onderzoek naar de ontwikkeling van onderwijs in India, werd door het koloniaal bestuur in 1854 een nieuw onderwijsbeleid opgesteld, en uiteengezet in een honderd paragrafen tellend document, getiteld ?Wood's Education Despatch' [21] . Het idee van Macaulay's ?trickle down policy' werd hierin verworpen. De koloniale overheid moest zich niet langer bezig houden met het opleiden van een kleine verwesterde elite, maar zich in plaats daarvan gaan richten op het onderwijzen van het hele Indiase volk. Het voornaamste doel van het nieuwe beleid was: ?? to extend European knowledge throughout all classes of the people? [22] . De hogere klassen in de Indiase samenleving moesten volgens het document voortaan ?op hun eigen benen leren te staan' en de aandacht van de koloniale overheid moest georiënteerd zijn op de ontwikkeling van een onderwijssysteem dat de gehele Indiase bevolking zou bereiken, ofwel: ?... how useful and practical knowledge, suited to every station in life, may best be conveyed to the Great mass of the people, who are utterly incapable of obtaining any education worthy of the name by their own unaided efforts...? [23] . In Wood's Education Despatch werd ook voortdurend benadrukt dat met ?nuttige' kennis vooral Europese kennis bedoeld werd : ?We must emphatically declare that the education we desire to see extended in India is that which has for its object the diffusion of the improved arts, science, philosophy and literature of Europe; in short of European knowledge? [24] .
Net als in Engeland moest nu de ontwikkeling van volksonderwijs in India door de overheid gestimuleerd worden door middel van het ?Grants in Aid' systeem. Het daadwerkelijk oprichten en beheren van onderwijsinstituten werd dus weer voornamelijk overgelaten aan particulieren, maar deze konden nu rekenen op subsidie van de overheid. In elk van de vijf Brits Indiase provinciale overheden werd een onderwijsdepartement ingericht, dat zich bezig moest gaan houden met de verstrekking van deze overheidssubsidies, en dat jaarlijks moest rapporteren over de ontwikkeling van onderwijs in het hen toegewezen gebied [25] .
Het nieuwe onderwijsbeleid bleek een grote stimulans voor particuliere activiteit op het gebied van onderwijs. Met name het aantal Engelstalige secundaire scholen en kleine universiteiten begon in en rond de Britse urbane machtscentra snel te groeien [26] . Het Engelstalig onderwijs was populair omdat het in toenemende mate gezien werd als een manier om werk te vinden in het groeiende aantal overheidsinstellingen in de grote steden als Calcutta, Madras en Bombay. In 1837 had het Engels het Perzisch vervangen als officiële bestuurlijke taal, en in 1844 was bovendien door de gouverneur generaal wettelijk vastgesteld dat een Engelstalig opleiding voorrang gaf op vacatures bij de overheid (Basu 1974:118). Daarnaast werden er door de koloniale overheid ook een groot aantal kweekscholen opgezet. Hoewel het volgens de officiële richtlijnen de bedoeling was dat het oprichten en besturen van scholen zoveel mogelijk door particulieren zou gebeuren (de overheid moest voornamelijk subsidiëren en inspecteren), werden er ook door de overheid een aantal scholen en universiteiten opgericht en bestuurd.
In deze periode werden ook kort na elkaar de drie eerste koloniale kunstnijverheidscholen in Madras, Calcutta en Bombay opgericht. Hoewel de scholen door particulieren werden opgericht, zouden zij alledrie subsidie ontvangen en regelmatig geïnspecteerd en financieel gesteund worden door de onderwijsdepartementen in hun provincies.

