home  :: Home/Artikels/Wetenschap en geschiedenis/Koloniaal kunstonderwijs in India

Koloniaal kunstonderwijs in India

Pagina 9 van 16
«vorige |1|2|3|4|5|6|7|8| 9 |10|11|12|13|14|15|16| volgende»
door: JorisO 

De eerste Europese kunstnijverheidschool in India: doelstellingen en praktijk

De eerste Engelse kunstnijverheidschool in India werd door de Schotse chirurg Alexander Hunter [5] in 1850 op eigen kosten opgericht te Madras (QRPEI 1897-1902:281). Hunter had naast zijn medische opleiding ook onderwijs gevolgd aan de 'Royal Scottish Academy' en de 'Schools of Design' in Edinburgh en Parijs, en had dus al de nodige ervaring met kunst en kunstnijverheidsonderwijs.

Hij kwam op het idee om in India een kunstnijverheidschool op te richten toen hij van 1847-1849 in opdracht van het koloniaal bestuur een uitgebreid onderzoek deed naar de mogelijkheden tot het verbeteren van de inheemse pottenbakkerij in India. Hij kwam tijdens zijn onderzoekingen tot de conclusie dat in India grote voorraden waardevolle grondstoffen, goedkope arbeidskrachten en een enorme afzetmarkt voor allerlei soorten kunstnijverheid vooral door een achterstand in kennis ongebruikt bleven [6] .

Hunter stelde in zijn rapport dat deze Indiase achterstand voornamelijk te wijten was aan het 'inherente conservatisme' van de Indiase ambachtslieden. Aan de hand van een paar citaten over aardewerk uit het Oude Testament beargumenteerde hij dat hun produktiemethoden nog dezelfde waren als die van het begin der tijden. Paradoxaal genoeg kwam Hunter ook tot de conclusie dat het de Indiase ambachtslieden niet ontbrak aan leergierigheid en talent:

'The Native potters are willing and anxious to improve - numbers of them come from a distance to see what are the methods followed in Europe... many of the Natives draw, paint, carve and model very well, and they copy good designs with great accuracy' [7] .

Hij suggereerde in zijn rapport dat een 'School of Design' met een Europeaan als schoolhoofd de inheemse aardewerk produktie met sprongen vooruit zou doen gaan, en daarnaast ook nog een zeer lucratieve onderneming zou kunnen zijn omdat er zowel vanuit de inheemse als de Britse bevolking een grote vraag was naar produkten van een hogere kwaliteit.

Voor instructie in Europese produktiemethoden en technologische kennis zou op zich een technische of industriële school voldoen. Hunter had nog andere motivaties voor het oprichten van zijn school. Hij wilde de Indiase kunstnijverheid ook stilistisch verwestersen door onderwijs in de Europese schone kunsten introduceren in India:

'...to combine instruction in the Fine arts, with their applications to the manufactures. Nearly all schools of Design in the different countries of Europe have adopted this system... The great want in this country is freedom and boldness of style... The reason is that in India not one branch of Art has been studied properly, either in theory or in practice, all has been left to the eye and the hand, while the mind has been totally unattended to. The Fine Arts are not the mere productions of fancy, enthusiasm or manual dexterity... They are executed according to fixed rules, many of which can be explained & acquired from books.' [8] .

Instructie in de schone kunsten moest dus gecombineerd worden met kunstnijverheidsonderwijs teneinde de kwaliteit van de Indiase kunstnijverheid te verbeteren. Daarnaast geloofde Hunter ook dat de schone kunst een belangrijk rol te vervullen had bij de morele opvoeding van het Indiase volk.

Op zich was dit niet verwonderlijk want in de tijd dat Hunter zijn school oprichtte werd door veel mensen geloofd dat de academische kunstwerken een moraliserende invloed konden hebben op de toeschouwers ervan. Dit is enigszins begrijpelijk wanneer men bedenkt dat de academische kunstenaars in deze tijd voornamelijk allerlei belangrijke historische, Grieks mythologische of Bijbelse gebeurtenissen visualiseerden. Hunter geloofde daarom dat de schone kunst naast de Europese literatuur en wetenschap een essentieel onderdeel was van de kennis die de Europeaan de Indiër te bieden had.

In 1851 splitste Hunter zijn school op in een artistieke afdeling, waar instructie in de schone kunsten moest plaatsvinden (voornamelijk tekenen en schilderen), en een industriële afdeling die met behulp van de ontwerpen van het artistieke afdeling verbeterde kunstnijverheid zou gaan produceren. Deze samenwerking bleek in de praktijk echter slechts nominaal.

Een overheidsinspecteur stelde 4 jaar later in zijn rapport over de school dat het industrieel departement voornamelijk fungeerde als fabriek voor de commerciële produktie van bakstenen, dakpannen, waterpijpen en andere artikelen waar op dat moment veel vraag naar was. De inspecteur concludeerde dat de school teveel gericht was op commercie, en te weinig op onderwijs (RPIM 1855/56: 458).

De oprichting van de kunstnijverheidschool in Calcutta

Sir Jamsetjee Jeejeebhay
Sir Jamsetjee Jeejeebhay

Hunters initiatief inspireerde niettemin soortgelijke activiteiten in de twee andere belangrijkste Britse centra: Bombay en Calcutta. In Bombay werd in 1856 door een prominente Parsi industrieel - Sir Jamsetjee Jeejeebhay [9] - Rs. 100.000 beschikbaar gesteld om een school op te richten - 'for the improvement of arts and manufactures [and] the habits of industry of the middle and lower classes'(RPIBo 1855-56).

Sir Jeejeebhay had meegewerkt aan de selectie van Indiase inzendingen voor de wereldtentoonstelling van 1851. Hij was naar aanleiding van dit evenement tot de conclusie gekomen dat de Indiase inzendingen getuigden van 'ingenuity, albeit often erroneously directed' [10] .

In een brief aan de gouverneur van Bombay schreef hij dat India met de juiste begeleiding een vooraanstaande positie tussen de belangrijkste industriele landen van de wereld zou kunnen veroveren, en dat daarom een kunstnijverheidschool nodig was. Met de hulp van het onderwijsdepartement van Bombay werd een gediplomeerde docent van de kunstnijverheidschool in London gerecruteerd als schoolhoofd, en werd in 1856 werd de 'Sir Jamsetjee Jeejeebhay School of Art' in Bombay geopend.

In Calcutta werd in 1854 'The Society for the Promotion of Industrial Arts' speciaal opgericht met het doel een aantal kunstnijverheidscholen in de Bengalen op te richten. De oorspronkelijke leden van deze vereniging waren voornamelijk waren voornamelijk ambtenaren van de Bengaalse overheid die al op de een of andere manier actief waren in onderwijs, zoals bijvoorbeeld de 'Director of Public Instruction' en de schoolhoofden van de 'Calcutta Madrassa' en de 'College of Civil Engineering'.

Hoewel zij dus al de nodige ervaring hadden met onderwijs in India, betekende dit ook dat zij niet hun volledige aandacht op het beheer van de kunstnijverheidschool konden richten. Gedeeltelijk met donaties, gedeeltelijk op eigen kosten kregen ze het geld bij elkaar een klein gebouw te huren en een aantal docenten aan te stellen. In overleg met de docenten werd een curriculum opgesteld, en op 14 augustus 1854 werd de 'Calcutta School of Industrial Arts' geopend (BEP 1863 april: nos 120-122 [11] ).

De belangstelling voor de school leek aanvankelijk overweldigend. Het eerste jaar kreeg de school van allerlei verenigingen en individuen grote donaties toegeschoven en er schreven zich direkt bij aanvang 263 studenten in (RPIB 1857-58 : 364-373).

De studenten begonnen hun opleiding met een verplichte elementaire tekencursus die hen 1 rupee per maand koste. Hierna kon uit een van drie specialisaties gekozen worden: boetseren en modelleren, houtgravure en lithografie, of tekenen en schilderen op hoger niveau. Onderwijs in de gespecialiseerde afdelingen van de school kostte de student 2 rupees, 8 annas per maand.

Uit elk van deze afdelingen zouden de meest getalenteerde leerlingen geselecteerd worden om voor een klein loon mee te werken aan de commerciële opdrachten die de school ontving.

Verwacht werd dat de inkomsten van deze opdrachten voldoende zouden zijn om geaffilieerde kunstnijverheidscholen in ander regio's in de Bengalen op te richten. Helaas zou de praktijk anders uitpakken. Zowel het aantal studenten als de donaties van particulieren zou geleidelijk aan slinken in de daaropvolgende jaren .

De inspecteur van het departement van onderwijs stelde in een rapport uit 1858 dat de meeste studenten de school al snel verlieten omdat zij voornamelijk uit de 'armoedige klassen' van Calcutta afkomstig waren. Zodra ze genoeg geleerd hadden om ergens werk te vinden, verdwenen zij van de school. Bovendien zouden de leden van de vereniging zich na de oprichting zich onvoldoende hebben ingespannen om nieuwe donateurs en studenten voor de school te werven, en ook te weinig energie hebben gestoken in het beheren van de school (RPIB 1857-58 : 364-373).

Uiteindelijk zou het bestuur van de school 10 jaar na oprichting op verzoek van de vereniging door het Bengaalse departement van onderwijs worden overgenomen.

Doelstellingen van de vereniging

De doelstellingen die voor de school uiteengezet werden op een van de eerste ledenvergaderingen van de vereniging, geven een inzicht in wat voor ideeën tot het initiatief leidden:

'Firstly ...the development of the [mind's] faculties of invention and originality. Secondly: To supply skilled draughtsmen, designers &c. to meet the great and increasing demand for such in this country. Thirdly: To provide a varied and useful means of subsistence to a portion of an increasing population. Fourthly: To promote taste and refinement in the application of art among the upper classes. Fifthly: To enable the society to supply works of art to the community at moderate prices.' (BEP April 1863 nos120-122).

Het eerste punt sloeg op een zeer gangbare opvatting over Indiase ambachtslieden in deze periode. Zoals in Hunters citaat, maar ook in verschillende documenten van de vereniging in Calcutta naar voren komt, werden de Indiase ambachtslieden gezien als conservatief en werd hun werk voornamelijk als fysieke arbeid beschouwd.

De Indiase ambachtslieden hadden volgens de oprichters van de school weliswaar 'a peculiar aptitude for work requiring extreme patience, delicacy of manipulation and fineness of touch'(BEP 1862: july nos 40-42 ), maar hun gebrekkige intellectuele ontwikkeling verhinderde hen om tot hoge prestaties te komen. In feite waren het juist de esthetische opvattingen van de oprichters van de school die zelfs voor hun tijd opvallend conservatief waren. Veel leden van de vereniging leefden in de overtuiging dat de van de Grieken en Renaissance afgeleide esthetische principes die in de Europese academies gehanteerd werden, universele wetten van de schoonheid waren.

Deze wetten waren net als wetenschappelijke wetten oorspronkelijk afgeleid uit de bestudering van de natuur en deze gedroeg zich overal hetzelfde (denk b.v. aan de principes van perspectief en de anatomie). De artistieke produktie in India was uiteraard deficiënt wanneer zij getoetst werd aan de Europese academische maatstaven.

Deze overtuiging kwam bijvoorbeeld tot uiting in een toespraak die een van de leden van de vereniging in maart 1854 hield om fondsen voor de oprichting van de school te werven:

''for look at the untutored Indian, who though he perceives beauty in brilliancy of colour in fabric, and often produces harmonious effects, yet in his attempts at Art, such as his pottery or modelling of the human figure, his productions are the most grotesque, uncouth and extravagant. The love of the beautiful in form is connected with that polish and refinement which education generally imparts to every faculty and feeling, as is clearly seen from the Greeks, who have left a rich inheritance of the purest forms, that are universally appreciated.' [13] .

De Europese academische esthetiek werd gezien als een benadering van schoonheid door middel van het intellect, en de artistieke prestaties van de Indiër als een soort instinctieve en misleide uitingen van hetzelfde verlangen naar schoonheid dat de Europese academische kunstenaar dreef. Het onderwijs moest dus vooral gericht zijn op het ontwikkelen van de mentale cappaciteiten van de Indiër.

De studenten moesten leren naast hun handen en ogen ook hun hersens te gebruiken, waardoor zij in tegenstelling tot de conservatieve Indiase ambachtsman niet alleen zouden imiteren, maar ook innoveren. De 'faculties of invention and originality' van de Indiër zouden tot ontwikkeling gebracht moeten worden door onderwijs gebaseerd op de 'wetenschappelijke' principes van de Europese kunst.

In feite was er weinig verschil tussen deze gedachtengang en de oorspronkelijke ideeën die ten grondslag lagen aan de oprichting van de eerste kunstnijverheidschool in London. Instructie in de elementaire principes van de academische kunst zou de prestaties van ambachtslieden verbeteren, en daarmee zou uiteindelijk ook de nationale welvaart gediend worden.

De tweede doelstelling van de vereniging was: 'To supply skilled draughtsmen, designers etc. to meet the great and increasing demand for such in this country'. Er was inderdaad zowel van overheidswege als vanuit de privé sector een groeiende vraag naar tekenaars en ontwerpers. De overheid had allerlei soorten illustraties nodig voor de publikaties en onderzoekingen die vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines gedaan werden om de enorme kolonie in kaart te brengen.

Daarnaast zouden in Calcutta opgeleide technische ontwerpers o.a. in het Bengaalse 'Department of Public Works' goed van pas komen (RPIB 1857-58 : 364-373).

Door de bloei van het koloniale onderwijs na 'Wood's Education Despatch' zou ook het aantal door Bengaalse en Engelse particulieren opgezette drukkerijen snel toenemen omdat steeds meer mensen konden lezen, en er dus steeds meer gepubliceerd kon worden. In Calcutta groeide het aantal scholen en kleine universiteiten sneller dan waar dan ook in India, en dit was dus in principe een zeer gunstige plek om de drukkunst te bedrijven. Daarom was er hier ook een grote vraag naar houtgraveerders en lithografen om allerlei soorten publikaties te kunnen illustreren.

De commerciële produktie van illustraties door de houtgravure en lithografie afdeling van de school was dan ook een belangrijke bron van inkomsten. Er kwamen met name veel opdrachten voor de illustratie van studieboeken en wetenschappelijke werken binnen (BEP 1863 april:nos 120-122).

Een telkens terugkerende klacht in de rapporten van de school was dat de studenten hun opleiding veel te snel afkapten omdat zij zelfs met zeer matige vaardigheden gemakkelijk werk konden vinden in de privé-sector. Dit kwam volgens de vereniging doordat er zo'n grote markt onder de inheemse bevolking was voor 'inferieure produkties' (BEP 1863 april:nos 120-122).

Guha Thakurta (1992: 42) suggereert dat waarschijnlijk veel van de eerste studenten van de school tot dezelfde ambachtelijke groepen behoorden die zich in Calcutta bezighielden met het schilderen en drukken van goedkope plaatjes en geïllustreerde publikaties in het Bengali (in de Bat-tala regio; zie boven):

'The first locale of the art school was ' at Garanhata, right in the heart of the terrain of indigenous picture production. ' it seems quite likely that the initial students were drawn partly from the painters and print-makers of this locality, who wished to gain the new skills of realistic drawing and painting, in order to modernise and polish up the quality of their products within the excisting picture trade.' [14]

De meeste studenten op de school stopten hun opleiding zodra zij kans zagen buiten de school geld te verdienen (gemiddeld al na zo'n 8 maanden) (RPIB1857/58: 364-74). Dit werd aanvankelijk als positief ervaren door de vereniging, aangezien daarmee de derde doelstelling gediend werd (zie boven). Aan de andere kant ging het vervroegde afbreken van de studie wel ten koste van de kwaliteit van het werk van de ex-studenten.

Ook bleek het steeds moeilijker voor de vereniging om studenten die genoeg opgeleid waren om mee te kunnen werken aan de commerciële opdrachten op de school te houden. De enigszins gevorderde studenten konden buiten de school veel meer verdienen dan het lage loon dat de vereniging hen bood (RPIB1860/61: 14). Maar het was voor de instandhouding van de school noodzakelijk een curriculum te bieden dat een vooruitzicht gaf op een behoorlijk inkomen omdat er anders helemaal geen belangstelling voor zou zijn (RPIB1857/58-p364-74).

Met de vierde en vijfde doelstelling - 'To promote taste and refinement in the application of art among the upper classes' To enable the society to supply works of art to the community at moderate prices.' - wordt weer geduid op de noodzaak van de introductie van de schone kunst in India.

Zoals al eerder is aangegeven groeide onder de rijkere klassen in India de interesse voor Europese beeldende kunst. Door de leden van de vereniging werd dit om een aantal redenen als een gunstige ontwikkeling gezien.

Ten eerste omdat de kunstnijverheid scholen in India in zekere zin nog een experiment waren. Hoewel het anglicistische onderwijsbeleid van de koloniale overheid in deze periode aangeeft dat veel Engelsen een groeiend vertrouwen in de capaciteiten tot mentale ontwikkeling van de Indiër hadden, was het voor de pioniers op het gebied van kunstnijverheidsonderwijs in India een belangrijke vraag of de Indiër dezelfde artistieke capaciteiten had als de Europeaan.

Bij het werven van fondsen voor oprichting en onderhoud van de school, bleek het telkens weer nodig de geldschieters (inclusief de overheid die vanaf 1855 de school subsidieerde) te overtuigen dat de Indiase student qua artistieke potenties waarschijnlijk niet ver van de Europeaan stond. Het feit dat veel rijke Indiase families Europese kunst verzamelden werd daarbij vaak aangehaald als bewijs voor hun stelling dat de esthetische voorkeuren van de Indiër in goede banen geleid zouden kunnen worden (BEP 1862: july nos 40-42).

Ten tweede waren de 'rich native noblemen and gentlemen' in de Bengalen een belangrijke groep (potentiële) donateurs voor de school. Als de school de sympathie van deze lieden kon winnen zouden financiële problemen snel zijn opgelost.

Hoewel een aantal rijke Bengali geld gedoneerd hadden voor de oprichting van de school, bleef het een klacht van de vereniging dat de rijkere klassen in India te weinig interesse toonden voor dit soort onderwijs (BEP 1862 july nos 40-42). Dit was misschien omdat de school voornamelijk mensen uit de armere lagen van de samenleving aantrok. De financiële problemen van de school werden werd in de rapporten van de vereniging o.a. gewijd aan de apathie van de hogere klassen ten opzichte van onderwijs voor de minder bedeelde massa's.

Dit was waarschijnlijk ook de reden dat er een aparte cursus op de school werd ingericht waarin het schoolgeld hoger was dan in alle andere afdelingen (5 rupees). Deze cursus was louter gericht op instructie in tekenen en olieverf schilderen, en nadrukkelijk niet op het aanleren van vaardigheden die een baan in het vooruitzicht stelden (RPIB 1857-58: 372).

De cursus was dus in eerste plaats bedoeld om Indiërs uit de rijkere klassen te stimuleren om naar de school te komen, en het feit dat de instructie gericht was op olieverf schilderen geeft aan dat men zich in deze klas voornamelijk op de schone kunst richtte. Of er ook rijkere studenten op deze cursus afkwamen is helaas niet bekend. In feite was dit wel iets waarin de school wel duidelijk verschilde van de Londonse kunstnijverheidschool: omdat de schone kunst nog niet bestond in India, wilde men ook (een klein aantal) 'academische' kunstenaars opleiden.

De rijkere klassen in de Indiase samenleving waren de aangewezen bevolkingsgroep hiervoor, omdat zij over het algemeen ook de hoogst opgeleiden waren. Zij waren bovendien ook de enige bevolkingsgroep die een afzetmarkt voor Indiase schone kunst zouden kunnen vormen (BEP1862 July no 42).

De vijfde doelstelling - 'To enable the society to supply works of art to the community at moderate prices' - sloeg waarschijnlijk ook op een meer concrete of materiële methode voor het verspreiden van schone kunst en verbeterde kunstnijverheid in India. In de rapporten van de vereniging werd vaak opgemerkt dat de studenten in India in tegenstelling tot die in Engeland geen mogelijkheid hadden om buiten de school, of al voor hun opleiding met kunst in aanraking te komen. 'Kunst bestond nog niet in India', en hoe meer kunstwerken de school kon produceren en verkopen, hoe beter het klimaat voor een algemene verbetering van het gevoel voor esthetiek van de Indiase bevolking zou zijn.

Financiele problemen en een tekort aan docenten

Het is niet erg waarschijnlijk dat de verenigingsleden zelf financieel beter werden van de school. Hoewel de commerciële produktie in met name het houtgravure en het 'boetseer en modelleer' afdeling grote hoeveelheden geld opbrachten, was het percentage dat hiervan naar de vereniging ging niet eens genoeg om de school te onderhouden.

De school was al een jaar na oprichting volledig afhankelijk van de maandelijkse overheidssubsidies. De jaren daarop zou deze steeds hoger moeten worden om de school nog in stand te houden. Dit was mede te danken aan het feit dat in de eerste jaren het grootste deel van de inkomsten van deze afdelingen naar de docenten ging (BEP 1863 april: nos. 120-122).

Een schrijnend voorbeeld hiervan was dat in 1859 de docent boetseren en modelleren -Monsier Rigeaud - naast zijn gewone loon een even grote som geld bijverdiende aan zijn afdeling als de totale subsidie die de vereniging van de overheid ontving (ongeveer - RS. 7000).

Rigeaud was afkomstig uit Frankrijk, en werkte voor zijn aanstelling als een in gebrand gips (plaster of Paris) gespecialiseerde huisdecorateur in Calcutta (BEP 1859 sept : nos 53-58). Bij de oprichting van de school bood hij de vereniging aan zelf een afdeling voor boetseren en modelleren op te zetten, en voor een klein loon en inwoning in de school dit vak te gaan doceren. Voorwaarde was echter wel dat de eventuele opbrengsten van deze afdeling volledig voor hemzelf zouden zijn.

De vereniging, die op dat moment de grootste moeite had gekwalificeerde docenten te vinden nam zijn aanbod gretig aan, hoewel zij het vak dat Rigeaud kon doceren niet als een prioriteit zagen. De meeste leden van de vereniging geloofden niet dat Rigeaud's afdeling financieel iets zou kunnen opleveren, en daarom hadden zij er ook geen moeite mee Rigeaud's voorwaarden te accepteren. Dit besluit werd later in een correspondentie van de vereniging met het onderwijsdepartment een 'fatale fout' genoemd (BEP 1863 april: nos. 120-122).

Rigeaud's afdeling bleek al na korte tijd het meest lucratieve deel van de school te zijn. Rigeaud bleek de juiste connecties te hebben onder de rijkeren in Calcutta, en de opdrachten voor en de decoratie van woningen van 'native gentlemen of Calcutta and shops of European merchants' stroomden binnen. Ook werden door de afdeling veel gipsen bustes en beelden verkocht (BEP 1859 sept : nos 53-58).

Met behulp van zo'n 20-30 leerlingen die hij maximaal 14 rupee per maand betaalde wist Rigeaud een klein fortuin te verdienen. In tegenstelling tot de leerlingen van de houtgravure en lithografie afdeling bleken Rigeaud's leerlingen ook niet te vertrekken zodra zij merkten dat hun werkstukken verkocht konden worden. Enkelen van hen zouden dit wel proberen en gezamelijk een winkel opzetten, maar zij bleken echter zonder Rigeaud niet aan voldoende opdrachten te kunnen komen.

Rigeaud werd na een kort conflict met de vereniging in 1859 ontslagen en voortaan zou voor elke docent gelden dat minstens 50 procent van hun opbrengsten naar de vereniging zouden gaan. Er zou na Rigeaud's vertrek geen vervanger meer voor hem gevonden worden en zijn afdeling zou met hem verdwijnen.

Docenten voor de school waren moeilijk te vinden in India, wat misschien verklaart dat zij zo'n hoog percentage van de opbrengsten van hun afdeling konden opeisen. Volgens de vereniging ging dit echter ten koste van het onderwijs: '' the large portion of profit that allways acrued to the teachers served an inducement to them to give more attention to the execution of orders than to educational objects' (BEP 1863 april: nos. 120-122).

Ook het curriculum werd door de schaarste aan gequalificeerde docenten steeds meer afhankelijk van 'omstandigheden'. Wanneer bijvoorbeeld een bepaalde docent overleed (en dit gebeurde maar liefst 4 keer in de eerste 10 jaar van het bestaan van de school) verdwenen ook de vakken waarin hij les gaf vaak voor maanden of zelfs voorgoed uit het curriculum, omdat het zo moeilijk was voor het schamele loon dat de vereniging kon bieden nieuwe docenten uit Engeland over te laten komen.

Als er een nieuwe docent werd gevonden, werd op basis van diens vaardigheden bepaald welke vakken er op de school gegeven zouden worden (zo werden korte tijd ook pottenbakkerij en fotografie gedoceerd) [15] . Verder had het ook weinig zin om een bepaald vak te introduceren als de steeds kleinere groep studenten hier geen brood in zagen (RPIB1857/58: 364-374).

Overheidsovername

Hoewel de school steeds meer overheidssubsidie ontving bemoeide het Bengaalse overheidsdepartement voor onderwijs zich verder weinig met het onderwijs.

De school werd aanvaard als nuttig omdat deze beantwoordde aan de groeiende vraag naar houtgraveerders, lithografen en ontwerpers in het land. Wel verscheen er elk jaar een overheidsinspecteur op de school, die een verslag schreef met zijn observaties en suggesties voor verbetering (BEP 1859 oct. Nos53-58).

Maar deze suggesties lijken weinig veranderd te hebben aan het onderwijs. In een van de eerste inspectierapporten (in 1857) werd al aangegeven dat het waarschijnlijk beter was als het beheer van de school door het overheidsdepartement van onderwijs van Bengal zou worden overgenomen. De overheid liep hier aanvankelijk niet warm voor omdat een kunstnijverheidschool een zeer dure onderneming was.

In 1863 stelde de overgebleven leden van de vereniging min of meer een ultimatum. Er was inmiddels nog maar één docent op de school overgebleven, de school had nauwelijks meer leerlingen, en ontving ook geen donaties van particulieren meer. Het was volgens de vereniging nutteloos om nog meer subsidie van de overheid te ontvangen voor een school die zo weinig steun uit de samenleving kreeg. De school moest volledig hervormd worden, of kon anders beter worden opgedoekt. De enige manier om de school nog staande te houden was door er een grote hoeveelheid geld in te investeren, en alleen de overheid had hier de financiën voor. Er moest een in de Londonse kunstnijverheidschool opgeleid schoolhoofd overkomen om de school volgens de moderne Engelse richtlijnen in te richten. Uiteindelijk stemde de overheid toe.

De correspondenties die hierover gevoerd werden tussen het Bengaalse departement van onderwijs en de vereniging geven enige suggesties waarom de overheid uiteindelijk toch toestemde. Alleen als er voldoende geld beschikbaar was zou de school eindelijk in staat zijn een aantal studenten wat langer aan te houden door hen een beurs aan te bieden. Alleen dan zou de school een bijdrage kunnen leveren aan de verbetering van het gevoel voor esthetiek van de Indiase bevolking.

De studenten een vooruitzicht op een baan geven was belangrijk, maar niet het uiteindelijke doel van een kunstnijverheidschool. Een verenigingslid vatte het in een brief aan het overheidsdepartement voor onderwijs als volgt samen:

'I think that the object of a school of industrial art is not tot turn out ready made tradesmen or Artists in the shortest possible space of time, but to give young men such a training as, combining both theoretical and practical teaching, should develop their general intelligence and skill, and impart an aptitude and taste for improvement, and thus raise them above the level of mere handicraftsmen or simple imitators.'(BEP 1863 april: nos. 120-122).

Het overnemen van de kunstnijverheid school was ook een prestigieuze zaak voor de Bengaalse overheid. Het beheer van de kunstnijverheid scholen in Bombay en Madras was al eerder door de beide provinciale overheden overgenomen, en beide liepen goed. Ook hadden de meeste Europese overheden inmiddels een of meerdere kunstnijverheid scholen onder hun beheer.

Deze scholen werden steeds meer aanvaard als noodzakelijk indien een land de ontwikkelingen op het gebied van kunstnijverheid wilde bijhouden. De vereniging speelde slim in op de angst van de Bengaalse overheid om te worden aangekeken op het feit dat deze de ontwikkeling van kunst en industrie onvoldoende gestimuleerd zou hebben. Zo werd de overheid in een correspondentie over de voorgestelde overname b.v. gewezen op de het feit dat er elke 10 jaar een grote wereldtentoonstelling in Engeland gehouden zou worden: - 'These are ... tribunals before which governments, and especially governments of new countries, whose province it is to teach and improve, will be tried'(BEP1862: july nos.40-42).

De Bengaalse overheid stemde toe en Richard Redgrave, het schoolhoofd van de kunstnijverheidschool in London, werd ingeschakeld om een schoolhoofd voor de school in Calcutta te vinden.

Aanpassingen aan India

De vraag in hoeverre in deze periode het onderwijs op de kunstnijverheid school werd aangepast aan de Indiase context is kort te beantwoorden. De kunstnijverheidschool had dezelfde primaire doelstellingen als de scholen in Engeland: door onderwijs de kunstnijverheid verbeteren, teneinde de handel en de nationale welvaart te stimuleren.

Van de mentale en artistieke cappaciteiten van het Indiase volk werd veel verwacht door de oprichters van de kunstnijverheidschool in Calcutta. Alleen was volgens hen de achterstand in technische kennis en het gebrek aan smaak in India veel schrijnender dan in Europa. Het onderwijs op de school was in deze periode gericht op het wegwerken van deze achterstanden op Europa, of zoals een van de leden van de vereniging het samenvatte: '[to give] to the educated labour of the people India a value equal to that of the countries of Europe, and to cultivate their taste...'(BEP 1862 july nos 40-42).

[5] Hunter werkte in Madras als Chirurg in dienst van de overheid.

[6] Hunter 1849: Report on the Pottery of India.

[7] Hunter 1849: Report on the Pottery of India.

[8] Hunter 1850: 137 ; Madras Art Journal .

[9] Sir Jamsetjee Jeejeebhay was op dat moment de enige Indiër die een erfelijke Engelse ridder titel bezat (Cohn 1983: 663).

[10] Sir Jamsetjee Jeejeebhay's letter (9.5.1853) to Governor of Bengal. Geciteerd in Mitter (1994:32).

[11] Scheme for the Reorganization of the School of Industrial Arts (Society for the Promotion of Industrial arts)

[13] Goodwyn (1854: 9) (schoolhoofd van de 'College of Civil Engineering').

[14] Hoewel dit aannemelijk klinkt is het aan de andere kant zo dat de school in de eerste jaren een aantal keer zou verhuizen. Uiteindelijk kwam de school in 1864 terecht in BowBazar Street, dat volgens Guha Thakurta (1992: 81) 'since the 1860s/ 70s a predominantly Bengali middle-class residential area' was. In 1890, werd weer verhuist naar Chowringhee, Calcutta, dat in het Engelse deel van de stad lag (QRPEB 1892-97).

[15] Over de vooropleidingen van de docenten is helaas niet veel bekend.

Pagina 9 van 16
«vorige |1|2|3|4|5|6|7|8| 9 |10|11|12|13|14|15|16| volgende»

Commentaar toevoegen:
Naam:
Link:(niet verplicht)
Commentaar:
<-- code:
  

Pagina's in dit artikel:
pagina 9
Koloniaal kunstonderwijs in India



Gerelateerde Artikels :
Wetenschap:
Koloniaal kunstonderwijs in India

Snel zoeken:



Sterke man
50 Euro

Toevallig
passerende
cartoon
:




All content copyleft 2008 Joris Osterhaus - www.hardcode.nl